Rimboe vrouw zoekt man noord brabant

rimboe vrouw zoekt man noord brabant

..

Zaadkont sexmarkt n

Ik zoek een leuke vriend Overijssel - 24 minuten geleden. Na een lange tijd weer alleen Zoetermeer - 43 minuten geleden. Durf jij een leuke toekomst Noord holland - 44 minuten geleden. Soms wat dominant maar ook Gouda - 45 minuten geleden. Welke lieve, sociale man Alkmaar - 52 minuten geleden.

Zuid holland - 54 minuten geleden. Lieve vriend en papa gezocht Vroomshoop - 55 minuten geleden. Gelderland - een uur geleden. Noord holland - een uur geleden. Heren Ik ben Davinia, En via deze weg probeer ik het nog 1 keer. Echt voor de laatste keer. Om me heen hoor ik genoeg verhalen van stellen Mannen met levenslust Ik ben een leuke, gezellige, sociale, verzorgde en hardwerkende vrouw van 46 met een goede dosis humor.

Hoi jij daar, Zal ik maar gelijk met de deur in huis vallen? Ik ben op zoek naar een lieve man die GEEN kinderwens heeft. Hoi ik ben een gezellige meid van 21 en heb helaas nog helemaal geen ervaring in de liefde. Nooit een vriend gehad dus en nu de meeste Vind het op zich niet zo erg maar ben toch wel eens jaloers Hallo ik ben een vrouw van 52 jaar. Gescheiden, kinderen en ben wel toe aan een nieuwe start.

Om te beginnen eens kennis te maken met een Hallo aangesproken man, Mijn naam is Larissa, Een betrouwbare,gevoelige, eerlijke meid die gek op humor is. En op zoek is naar een stapje Hoi mannen Hier een oproepje van dit Chinese draakje die op zoek is naar een Nederlandse man. Ik woon hier inmiddels 2 jaar voor mijn Nou hier aan het rondneuzen en wat zie ik dan zo veel leuke mannen en maar zo weinig tijd. Hoi daar Ik ben Nikita en ik ben op zoek naar een man: Die door zijn blik mij weer kan laten stralen en mijn hart weer sneller doet slaan Hallo daar, Mijn naam is Marina, ik ben reeds 6 jaar weduwe en als je dan ook nog een 61 jaar bent heb je al een hele rugzak bijeen Vlotte meid 20 zoekt een lieve leuke man.

Ik kom maar weinig lieve en leuke mannen tegen en zou het wel heel leuk vinden om eens op deze Als jij op zoek was naar een lieve meid dan hoef je nu echt niet meer verder te zoeken want lief dat ben ik echt wel. Ik ben 20 en heb niet Ik ben toch al een tijdje op zoek naar een leuke man maar zijn ze allemaal bezet of loop ik ze net mis? Dacht laat ik hier eens kijken of Mijn naam is Katja, ik ben een vrouw redelijk op leeftijd namelijk 63 jaar maar ondanks mijn leeftijd ben ik toch nog behoorlijk Ik ben Demi, 19 jaar en woon bij mijn oma in Nieuwegein.

Mijn grote probleem is dat ik last heb van bindingsangst.

rimboe vrouw zoekt man noord brabant

..


Na een lange tijd weer alleen Zoetermeer - 43 minuten geleden. Durf jij een leuke toekomst Noord holland - 44 minuten geleden. Soms wat dominant maar ook Gouda - 45 minuten geleden. Welke lieve, sociale man Alkmaar - 52 minuten geleden. Zuid holland - 54 minuten geleden.

Lieve vriend en papa gezocht Vroomshoop - 55 minuten geleden. Gelderland - een uur geleden. Noord holland - een uur geleden. Bij welke leeftijd begint het Hallo daar, Mijn naam is Marina, ik ben reeds 6 jaar weduwe en als je dan ook nog een 61 jaar bent heb je al een hele rugzak bijeen Vlotte meid 20 zoekt een lieve leuke man.

Ik kom maar weinig lieve en leuke mannen tegen en zou het wel heel leuk vinden om eens op deze Als jij op zoek was naar een lieve meid dan hoef je nu echt niet meer verder te zoeken want lief dat ben ik echt wel. Ik ben 20 en heb niet Ik ben toch al een tijdje op zoek naar een leuke man maar zijn ze allemaal bezet of loop ik ze net mis?

Dacht laat ik hier eens kijken of Mijn naam is Katja, ik ben een vrouw redelijk op leeftijd namelijk 63 jaar maar ondanks mijn leeftijd ben ik toch nog behoorlijk Ik ben Demi, 19 jaar en woon bij mijn oma in Nieuwegein.

Mijn grote probleem is dat ik last heb van bindingsangst. Toen ik 13 was ben ik Hoi heren, mijn naam is Lily uit Velp ben een levendige dame van 61 en op zoek naar een man die me niet kan weerstaan.

Ja je leest het goed, ik ben 60 jaar. Ik woon in Hillegom en ben werkzaam in een activiteiten centrum voor ouderen. Sinds mijn 55ste ben ik Hoi, Ik ben Pam, ik ben 25 jaar en vrijgezel.

Al mijn gehele leven kamp ik met problemen met mijn stembanden. Niet dat ik niet kan praten Zo ik heb een een kijkje genomen in deze rubriek en het viel me op dat er zoveel prachtige beeldschone vrouwen een contactadvertentie Winkels Advertentie plaatsen Inloggen. Sorteer op Datum Prijs laag - hoog Prijs hoog - laag. Ik ben er niet vies van hoor Heren Ik ben Davinia, En via deze weg probeer ik het nog 1 keer.

En toch ben ik zoekende Mannen met levenslust Ik ben een leuke, gezellige, sociale, verzorgde en hardwerkende vrouw van 46 met een goede dosis humor. Dat kan en wil ik niet alleen Hoi jij daar, Zal ik maar gelijk met de deur in huis vallen? Onervaren in de liefde Hoi ik ben een gezellige meid van 21 en heb helaas nog helemaal geen ervaring in de liefde. Ben je ook alleen? Een nieuw start Hallo ik ben een vrouw van 52 jaar.

Welke kant gaan wij samen op Hallo aangesproken man, Mijn naam is Larissa, Een betrouwbare,gevoelige, eerlijke meid die gek op humor is. Mis jij dat ook zo Hoi mannen Hier een oproepje van dit Chinese draakje die op zoek is naar een Nederlandse man.





Geile carolien kale natte kut


Ik moet hem dus laten loopen. Weg ook is nu het vooruitzicht eens heerlijk en rustig den nacht door te brengen. Met deze menschen zal ik vannacht moeten reizen!

Er is geen sprake van een oog dicht doen. Integendeel, ik zal voortdurend op mijn qui-vive moeten zijn om niet m'n spullen kwijt te raken. De trein is inmiddels zoo goed als geheel volgeloopen. Hoe kom ik aan een betere plaats? En met deze dievenbende samenreizen dat nooit! Er zal een andere coupé moeten gevonden worden of anders stap ik uit om in Lyon te overnachten Resoluut pak ik mijn bagage bij elkaar en trek op onderzoek door heel de derdeklasse-afdeeling van den trein.

Ik klets portieren open, knip gedoofde lichten aan, klap portieren dicht Neen, toch niet, eindelijk een coupé, die zich slechts in het bezit van twee bewoners verheugen mag, welke beiden reeds onder zeil zijn en ieder 'n heele bank, waarop zij languit liggen uitgestrekt, voor hun rekening genomen hebben.

Het zijn twee jonge kerels. Algerijn, maar nu een militair, dus een die tegen een Europeaan niet veel "kapsones" durft maken.

Hij schijnt nog wel korporaal te zijn, aan welke hooge waardigheid hij zich vermoedelijk verplicht voelt zich niet onder de "ordinaire gewone manschappen", die de naastgelegen coupé geheel bezet houden, te mengen. Zulk een mijnheer, die toevallig ook nog zijn uiterlijk mee heeft, vertrouw ik wel, dus schud ik hem wakker om vervolgens een deel van de bank voor mezelf op te eischen. Mijn eisch wordt gedwee ingewilligd en dan duurt het niet lang meer of ik heb me volkomen op mijn gemak geïnstalleerd en laat me door de gedender van den trein door de stille nacht in slaap wiegen, droomend van gemeene Algerijnen, die hun vingers in andermans zakken steken Rillend van kou ontwaak ik.

O ja, dat is waar ook. Ik zit in den trein van Parijs naar Nice, ging gisterenavond in Lyon onder zeil en nu rijden we nog. Buiten zal spoedig een nieuwe dag beginnen te gloren. De duisternis is al geweken, maar de zon heeft nog geen kans gezien boven de bergen uit te komen.

Alles ligt in blauwen schemer gehuld. Wat een openbaring vormt echter dit ontwaken in den trein. We rijden door een geheel nieuwe wereld. Gisteren nog was het een lieftallig landschap, dat we doorraasden, aantrekkelijk door zijn heuvels, bebosschingen en wijnbergen doch zich overigens door niets onderscheidend van meer bekende streken, thans evenwel valt er geen spoor van bosch of wijnbergen meer te bekennen.

Waar zijn we hier? Ik vermoed ter hoogte van Tarascon doch als ik horloge en treinboek raadpleeg, blijkt de wensch de vader der gedachte te zijn geweest. Ja, ik had wel eens graag kennis gemaakt met Tarascon, de stad van den beroemden Tartarin, maar eilaas, ik heb mijn tijd verslapen, we zijn Arles al gepasseerd.

Heel ver weg in het Oosten wazen blauwe bergen: Ondanks zijn eenzaamheid toch een heerlijk land, een land van romantiek, dat de fantasie richt naar verre vreemde streken, ergens in een vergeten land in het hartje van Azië.

En dan weer moet ik denken aan Corsica, door de eigenaardige structuur der huizen, welke als twee druppels water lijken op die welke men in illustraties over Corsica aantreft. Van eenige bevolking van beteekenis mag geen sprake zijn. De huizen liggen spaarzaam verspreid in de dorre vlakte, die nog slechts gestoffeerd wordt door een eenzamen, onbekenden, lagen boom, welke een harden strijd om het bestaan voert, en nu en dan een groep melancholische cypressen.

De huizen, opgetrokken uit ruwe steenblokken van velerlei kleur, zijn hoog en smal en bezitten alle twee verdiepingen. Huizengroepen speurt men er tevergeefs.

Hoogstens vallen er twee woningen naast elkaar te ontdekken doch een dezer is dan steeds gedeeltelijk ingestort en derhalve onbewoond. De bewoners schijnen er hier een gewoonte van te maken om - zoodra hun woning eenigszins bouwvallig wordt - er maar een nieuwe naast te plaatsen, wat hun al weinig meer dan de moeite van 't bouwen kosten zal daar men het materiaal, dat nagenoeg uitsluitend uit ruwe rotsblokken bestaat, hier alom in overvloed gratis verkrijgbaar schijnt.

Inmiddels is ook de zon opgekomen, om de illusie van een woestijnlandschap volledig te maken. Naarmate we Arles verder achter ons laten, verdwijnt de rotswoestijn om plaats te maken voor uitgestrekte, onafzienbare vlakten, wier kale leegheid nog die van het achter den rug liggend rotslandschap overtreft.

Dan komt er opnieuw bergland. De trein snelt door den tunnel van Berre, Frankrijks grootste tunnel, duikt weer in het licht en daar strekt zich de Middellandsche Zee voor ons uit! Pardon, neen niet de Middellandsche Zee maar de Étang de Berre, een uitlooper van de zee, die aan alle kanten behalve op het Zuiden scherp door rotsmassa's omlijnd wordt en waarvan het water reeds de azure kleur van de groote zee heeft.

En boven op een heuveltop rijzen de torens van Marseilles bekende kerk Notre Dame de la Garde. Een onvergetelijken indruk maakt deze Étang de Berre, die ik als voorproefje beschouw van al het schoone, dat de azure kust nog brengen moet.

Alle reizigers raken onder den indruk van het schouwspel, zelfs de dronken matroos, die al eenige uren in den corridor heeft loopen vervelen, wordt er stil van. Allen zijn naar de raampjes gesneld en snuiven met welbehagen de frissche lucht van het water in en drinken met wellust de schoonheid van deze wereld alsof allen voor den eersten keer dit schouwspel beleefden. Nu duurt het niet lang meer alvorens onze trein om half zeven in den ochtend het zonovergoten station van Marseille binnenstoomt, waar ik een half uurtje gelegenheid weet te vinden m'n van het zitten stram geworden beenen wat uit de plooi te loopen Zoodra mijn trein weer Marseille verlaten en een bocht naar het Oosten gemaakt heeft, vang ik een eerste symbool op van het subtropische klimaat, waaronder ik ga zwerven, en wel in den vorm van een eenzamen, gedeeltelijk verlepten palmboom ergens in een tuin.

Trouwens er wekt nog iets anders: Er komen steeds méér wolken in den aanvankelijk zoo blauwen hemel, zij pakken zich samen tot één grauw dek, zóó magnifiek gesloten als wij dat in ons land van mist en regen maar kennen.

Van "gouden zon", die men immers in het "zonnige Zuiden" zou mogen verwachten, geen sprake. Er blijft niets schoons over dan de zee, die haar azuren teint ook al heeft moeten afstaan en welke - zoodra we Frankrijks grootste oorlogshaven Toulon achter den rug hebben - helaas geheel aan het gezicht onttrokken wordt door het meter hooge Moorengebergte.

Dan begint het te regenen. Zoo'n echte, treiterige motregen, die de menschen even miezerig maakt als hij zelf is. Wel een "blijde incomste", "zonnig Zuiden", schamper ik tegen mezelf. Ik ben dus het land van den regen ontvlucht om Maar gelukkig, het weer krijgt medelijden als de trein bij St.

Raphaël wederom de zeekust bereikt om deze voor Nice niet meer te verlaten. De grauwte scheurt uiteen en dan zet zich meteen ook al de natuurlijke schoonheid van de Azuren Kust te pronk. Links van de spoorbaan aan den noordkant het Esterelgebergte, roode, afbrokkelende rotsen met in stukken gebroken kapen; rechts de zee met daarboven een immens blauwe lucht met een laaiende zon, die kaatst op de witte huizen en hotels van Théoule, Cannes, Juan-les-Pins, Antibes en verschillende andere kleinere plaatsen, die langs de kust gevlijd liggen in een "dolce far niente".

Het schoonst van al is wel de zee in haar klotsen op de bruine, natglimmende kapen, waarom zij eeuwigwitte schuimbanden spint, welke zoo heerlijk contrasteeren tegen het water, dat hier diepblauw is maar naar den horizon steeds meer verfletst om eindelijk in een witten nevel uit te loopen, zoodat lucht- en waterlijn niet meer te onderscheiden vallen.

Golfjes komen aangestoeid, golfjes rollen terug, witte "wol" aan de rotsen achterlatend, altijd weer hetzelfde maar toch altijd vol variatie en nimmer vervelend. Spel van kleurschakeeringen en eeuwige beweging, maar desondanks nog een sfeer van rust ademend. Toch zal Nice, de Koningin van de Rivièra, zich niet opmaken om in statiegewaad mij, den noorderling, te ontvangen.

Als ik eindelijk het einddoel van mijn treinreis bereikt heb, is de lucht weer dicht en miezelt het opnieuw. Bij den stationsuitgang straalt mij geen glorie of paradijsachtige schoonheid tegemoet, doch eerder een gemoedelijke burgerlijkheid, waarin ik me overigens wel thuis voel, maar die toch geen bijzondere aantrekkelijkheid uitoefent.

Van geweldige luxe en "albasten" hotels geen spoor. De palmboomen, die het stationsplein sieren - het eenige wat opvalt - neem ik voor kennisgeving aan, constateer met zooveel genoegen als mijn slechtgeluimdheid over dien akeligen regen daarvoor disponibel gelieft te stellen, dat de temperatuur er - ondanks al het nat - toch wel behaaglijk is en zoek vervolgens een hotel op.

Het eerste wat ik dan doe in het "Nizza la Bella" Toch Nizza la Bella? Tegen den avond breekt de zon opnieuw door en ik waag 't mijn eerste verkenningstocht door de stad te ondernemen. Zoo net nog plaste het water uit den hemel, het hield op en in een minimum van tijd waren de straten weer droog, dank zij de behaaglijk warme temperatuur, die ook tijdens den regen niet bleek te wijken.

Geen wonder dan ook dat er niemand met een regenjas liep. Men wapent zich hier blijkbaar bij slecht weer alleen met een parapluie en schroomt zich niet daaronder schuil te gaan, gekleed in strandpyama, wat op zijn minst genomen voor een noorderling altijd nog een gek en lachwekkend gezicht oplevert. De weinig bemoedigende indruk dien ik bij mijn binnenkomst van de "Koningin van de Rivièra" gekregen heb, maakt plaats voor een steeds betere naarmate ik meer van de stad te zien krijg.

Het idee van burgerlijkheid verdwijnt al direct als men wandelt over de Avenue de la Victoire, de heerlijk door platanen beschaduwde slagader der stad, die met zijn breede trottoirs, welke flinke cafés tot hun terrassen gemaakt hebben, onmiskenbare herinneringen aan Parijs oproepen. Ja, ik weet het nu, Nice is een stad, waarin ik me thuis kan voelen. Toch is dit het geval als ik mijn reisgids gelooven mag.

Vandaar den oorspronkelijken naam Nicaea die overwinning beteekent. Nice ontwikkelde zich voorspoedig doch ongelukkigerwijze bevond het zich op den weg naar Italië en gedurende de invasie der Barbaren viel het successievelijk ten prooi aan de Gothen, Vandalen, Wisigothen, Bourgondiërs en Longobarden met het gevolg, dat er niets meer dan een miserabel stadje overbleef. Om beurten kwam de stad vervolgens in handen van de Frankische koningen en de Genèveensche republiek.

Toen de hertogen van Savoye er den scepter zwaaiden, werd gepoogd den handel te doen herleven door het graven van de thans nog bestaande haven van Lympia doch alles was tevergeefsch.

De stad werd herhaaldelijk belegerd en verteerde aan den linkeroever van de rivier de Paillon tot zij eindelijk in aan Frankrijk werd teruggegeven en sindsdien in rust en vrede in extensie en ontwikkeling toenam om te worden tot wat zij thans is.

De herinneringen aan het oude Nicaea komen voor den geest als ik slenter door de oude wijk Cimiez, eens de buitenplaats der Romeinen, waar men nog de ruïnes der Romeinsche arenen, het oude "Cemenelium" en een klooster met schilderwerk van Bréa aantreft.

En ook gaan de gedachten terug naar grijze tijden op mijn dwaaltocht door het oude Nice, dat ligt samengedrongen tusschen de rivier de Paillon en de hellingen van het Chateau.

Dit deel der moderne badplaats heeft een uitgesproken Italiaansch karakter. Nauwe kronkelstraatjes met uitgesleten trapjes en boogoverspanningen, karakteristieke pleintjes van enkele vierkante meters groot zitten hier op elkaar gehurkt. Het leven krioelt er als in een mierenhoop. Opvallend veel, donker gekleurde, kinderen stoeien en ravotten er, ambachtslieden oefenen hun bedrijf niet binnen maar op straat uit. De timmerman schaaft er zijn deuren, de schoenmaker klopt er zijn schoenen en de groentehandelaar heeft er zijn waren uitgestald.

Hoog hierboven, van huis tot huis gespannen, wappert het waschgoed in bonte verscheidenheid. En als dan de zon, die op veel plaatsen slechts met moeite binnendringt, haar scherp gesneden driehoeken op de van oudheid kleurig geworden gevels teekent, maakt zij schilderijtjes van ieder hoekje.

De bevolking verloochent hier haar zuidelijken aard niet. Zij is opgeruimd, zorgeloos en voorkomend. Door alle eeuwen heen heeft ze taal en zeden weten te handhaven. Er wordt een zangerig dialect gesproken, dat sterk als Italiaansch in vreemdemans ooren klinkt doch wat het zoet-vloeiende "langue d'oc" is, de taal van den rasinboorling van Nice.

Deze menschen hebben nog weinig uit te staan met het moderne Nice. Saamgedrongen in hun eigen stadje aan den voet van een heuvel, welks top onder een lommerrijk geboomte de ruïnes draagt van Le Chateau, een middeleeuwsch kasteel, dat ter bescherming der stad diende maar nu een prachtig uitzichtpunt vormt, leven zij hun eigen leventje.

Voor een deel is dit aan de vischvangst gewijd zooals dat de netten op het strand aan de kade des États Unis den vreemdeling vertellen. Of anders moet men maar eens gaan kijken in de ochtenduren op den Boulevard Mac Mahon, waar de bloemenmarkt gehouden wordt, die iedere reisgids voor een bezoek aanbeveelt, doch waaraan ook een vischmarkt verbonden is wat mijn gids niet vertelt.

En toch is deze vischmarkt wél zoo interessant. Hier treft men weer de bruingebrande, zwartharige vrouwen van het oude Nice, die haar waren, de visch, aan den man trachten te brengen. Men zal er zelfs kleine inktvisschen ontdekken, die de koopvrouw in kwabbige stukken snijdt.

Eetlust wekt die drillende viezigheid wellicht niet bij iedere vreemdeling, de inkvisch schijnt hier echter tot een geliefkoosd gerecht te behooren. Voor het oude Nice gaat men evenwel gewoonlijk toch niet naar de Rivièra doch wel om er de luxe van een moderne badplaats in een zeldzaam zacht klimaat te genieten. Van de arme visschersbevolking naar de groote boulevards "il n'y a qu' un pas". Ineens zit men in het milieu van luxe en weelde, waarvan het middelpunt de beroemde Promenade des Anglais vormt, die zich over een lengte van 7 km langs de "Engelenbaai" uitstrekt en aan de noordzijde geflankeerd wordt door een "albasten schoonheid" van somptueuze hotels, die vorstelijke paleizen nabijkomen, en in het midden versierd is met prachtige palmboomen en monumentale lantaarns.

Het is de Promenade des Anglais, waar de "groote sjiek" van 'n halve wereld paradeert, rendez-vous geeft en zich bewonderen laat. Geen boulevard ter wereld wellicht is zóó cosmopolitisch als deze, waar men alle talen spreken hoort. Al wat met zijn geld en tijd geen raad weet, kan hier elkander vinden.

Hier zijn geen menschen die werken, er wordt alleen nog maar geluierd. De "beau monde" heeft zich, voor zoover zij niet wandelt, neergevlijd in gehuurde stoelen onder groote parasols of laat zich bruin bakken aan het strand terwijl een kruier-zonder-baantje of een loopjongen met een vrijen middag nog hangt te luieren over de balustrade, die de boulevard van de eenige meters lager gelegen zee scheidt. Wat een genot moet het zijn voor de dames hier te paradeeren om bewonderd te worden of de kleeding harer seksegenooten te begluren.

Onweer over de Engelenbaai. Een zeldzaam, heerlijk plekje, waar men niet te koop loopt, vormt de fraai aangelegde stadstuin Roi Albert Premier, die aansluit op de Promenade des Anglais, daar waar op een in zee gebouwde pier als een kristallen paleis uit de blauwe golven een Casino de Engelenbaai beheerst.

Deze tuin bevat een rijkdom van subtropische planten, waaronder velerlei palmboomen, denneboomen met vreemdsoortige kruinen, die den vorm van een parapluie hebben, yucca's, araucaria's en een verscheidenheid van cactussen van groote afmetingen. Het oostelijke uiteinde der boulevard langs de zee wordt gevormd door den heuvel van het Chateau, waarover we reeds eerder spraken en dat met recht het prieel van Nice genoemd wordt, terwijl het heele achterdecor van de stad bestaat uit bergen, waarop de weelderige residenties der wintergasten liggen.

Daar weer achter staan - als een blik op de eeuwigheid - de witte ruggen der Alpentoppen tegen de blauwe lucht afgeteekend. Indien Nice, behalve de overdreven luxe van haar Promenade iets bezit, wat mij echter maar matig bekoren kan, dan is dit wel zijn strand, dat namelijk geheel bestaat uit vuistgroote keien.

Neen, dan zijn wij het aan onzen haringvijver een aardig stukje beter gewend. Het loopen op dit keienstrand bezorgt je pijnlijke voeten bij elken stap dien je zet, behaaglijk liggen zonder een plaid of iets dergelijks is er al evenzeer uitgesloten terwijl men er bij het zwemmen op moet passen niet door een golf opgenomen en op het "strand" gekwakt te worden, want zulk een kennismaking bezorgt je niet geringe schaafwonden over je heele body, naar ik in letterlijken zin "aan den lijve" ondervond.

Dat het strand desondanks zoo in trek is, heeft het dan ook zeer zeker alleen te danken aan het heerlijke klimaat dezer omgeving, de temperatuur van het water en Daartegenover bezit de Middellandsche Zee klaarblijkelijk de verdienste van niet te "trekken"; men waagt er zich tenminste verder in dan men het zich aan ons Noordzeestrand zonder gevaar veroorloven kan.

Wat een charme er overdag ook van de Middellandsche Zee uitgaat, tegen den avond begint zij onheilspellend te donderen. Het water klotst met meer geweld tegen de hardsteenen kademuren, loopt met een ratelend lawaai, dat veroorzaakt wordt door de mederollende keisteenen van het strand, weer terug om dan denzelfden aanval te hernieuwen.

Vooral den eersten avond, dien ik op de Promenade des Anglais doorbreng, toont de zee zich nukkig en rumoerig, waaraan zich nog het geweld paart van de elementen in de lucht. Op mijn wandeling door een hevige onweersbui overvallen, heb ik me vastgedrukt in een portiek van Cook's Reisbureau om het einde van den regen af te wachten. Maar er komt geen einde aan! In dikke vlagen zweept de wind den regen over de geheel verlaten boulevard, die baadt in een overvloedig licht.

Rechts en links op de heuvels pinken duizenden lichtjes als evenzoovele lampions, waardoor de heuvels het aanzien van enorme verlichte kerstboomen krijgen. Aan beide uiteinden van de Engelenbaai knippen, met strak afgemeten tusschenpoozen, de vuurtorens, maar boven dit alles uit tumult het onweer, dat zeldzaam prachtige bliksemstralen slingert.

Het zijn vurige slangen, die met duizelingwekkende snelheid door de groote lucht schichten en de heele zee tot aan den einder in een blauw magnesiumlicht zetten. Nooit zag ik zulk een heerlijk onweer! Maar ook dit verveelt als men zich voorgenomen heeft vroeg naar bed te gaan en men niet in zijn hotel kan geraken.

Met vreugde begroet ik eindelijk 'n huurrijtuigje, dat eenige gasten bij het groote hotel naast mijn portiek afzet en nu ledig terug zal keeren. Ze doen aan onze vroegere landauers denken, maar zijn kleiner en nog voor een groot deel open, ook wanneer de kap staat opgezet. Voor den fellen slagregen heeft de koetsier nu echter aan de kap nog een laagafhangend zeil bevestigd. Dit belemmert mij bij den rit wel elk uitzicht maar ik kom tenminste toch droog in mijn hotel.

Ik kijk eens op de thermometer en constateer, dat de temperatuur - ondanks den regen - toch nog steeds 65 gr. Romantiek in het oude Villefranche. Niets herinnert meer aan het onweer van gisterenavond. Nice's promenade is weer bevolkt. Nice baadt weer in de zon, Nice is weer "La Bella".

Omstreeks een uur of zeven des avonds begin ik mijn voorgenomen voetreis van Nice tot de Italiaansche grens. Een koffer, dat ik, tegen alle gewoonte in, ditmaal heb meegesjouwd omdat het onmisbaar was tot berging van een smoking, dien ik - naar ik me in Holland had laten wijs maken - noodig zou hebben om in het Casino van Monte Carlo binnen te komen, ben ik gelukkig kwijt.

De hotelknecht heeft het naar het station gebracht met bestemming "Monte Carlo, Station Restante". Het behoeft zich nu ook niet langer te geneeren over zijn minderwaardig gezelschap van een rugzak, die mij verder alleen tot trouwe metgezel zal zijn Dat men met zoo'n zak op den rug in deze sjieke omgeving, waar de "fine fleur" van een halve wereld of wat daarvoor tenminste wenscht door te gaan te zamen komt, nogal in de gaten loopt, behoort tot die aangelegenheden, waarvan ik me al heel weinig aantrek, evenals van het feit, dat een voetreiziger hier een zeker soort rariteit beteekent: Van Nice naar mijn eerstvolgende pleisterplaats Villefranche is maar een afstand van 6 km die ik er in een uurtje heb opzitten.

Bij mijn aankomst begint het al lichtelijk te schemeren. Tot de allereerste bezigheid behoort natuurlijk het zoeken van het hotel, waarvan ik reeds vóór mijn vertrek uit Holland den naam, die voorkomt in mijn vrij lijvigen hotelgids "Les Prix des Hotels en France", met rood potlood onderstreept heb.

Het blijkt een hoog vierkant gebouw, dat in de schemering nu niet direct een prettigen indruk maakt daar alle luiken rondom gesloten zijn, nergens licht schijnt te branden terwijl er een doodsche stilte heerscht. Het heeft niets van een hotel doch veel meer van een gesloten familiepension indien het tenminste bewoond wordt, waaraan ik echter sterk twijfel.

Ik drentel wat rond, ga op verkenning bij andere in mijn gids genoemde hotels om daarna toch maar weer tot Bananiers, dat ik inmiddels bij mezelf al het "Doodenhuis" gedoopt heb, terug te keeren.

Straalt er iets onbehaaglijks uit, anderzijds is er toch ook weer het geheimzinnige dat het huis aantrekkelijkheid verleent. De ingang, die zich aan den zijkant bevindt, wordt afgesloten met een tuin, waarin weelderige palmboomen en mij onbekende planten groeien.

Met een vreemd gevoel open ik het ijzeren hek, dat knarst in zijn ongesmeerde scharnieren. Ietwat griezelig kraakt onder mijn voeten het kiezel van het tuinpad. Daar sta ik voor de deur, door het glas waarvan ik een flauwen lichtschijn bespeur. Er moet dus leven zijn. Na lang wachten wordt mij opengedaan door een gedrongen manspersoon, die een raar taaltje brabbelt, waarvan ik niet kan zeggen of het nu eigenlijk Fransch met Italiaansch of Italiaansch met Fransch moet heeten.

Maar toch raken wij uit elkaar wijs. Hij blijkt de huisknecht, die op dit uur heer en meester is, want de familie is naar de kerk, naar het Lof. Dat kan uitkomen want toen ik zoo straks de kerk passeerde, heb ik de sonore klanken van het orgel opgevangen. De bewaker van het "Doodenhuis" leidt mij over verschillende trapjes, via een spaarzaam verlichten, marmeren gang naar een sobere kamer, die in elk geval de verdienste heeft er nog al frisch uit te zien.

Ziezoo, ik ben geïnstalleerd, maar in de sfeer van het huis heb ik mij nog niet ingeleefd. Dat zal eerst morgenvroeg geschieden. Dienzelfden avond nog onderneem ik een onderzoekingstocht door Villefranche, dat 'n stadje van zielen is. Het ligt amphitheatersgewijze gebouwd tegen de Zee-alpen, die hier de Middellandsche Zee naderen en kenmerkt zich in het oude gedeelte met sterk Italiaansch karakter door zijn groote schilderachtigheid.

In dit oude gedeelte, dat de eigenlijke kern vormt, gaan immers buigende en kronkelende trappenstraatjes, waarin zelfs des daags het licht nauwelijks zal binnendringen, schuil onder dicht op elkaar getaste, door bogen verbonden huizen. Het merkwaardigst van alle straten is de geheel overwelfde Rue Obscure, een soort tunnel, die achter de huizen van de kade loopt.

Vroeger omringde deze de geheele stad, waardoor in geval van belegering, het verkeer door het stedeke onopgemerkt en zonder risico kon plaats vinden.

Dat zulks een voorzorgsmaatregel geen overbodige luxe behoefde te heeten, leert de bewogen geschiedenis van het stadje, die al teruggaat tot den tijd vóór Christus toen de Phoeniciërs er een nederzetting stichtten. Na verscheidene malen verwoest te zijn vestigde er Charles II van Anjou in de vrijstad Villa Franco of Villefranche doch eerst in kwam de stad definitief aan Frankrijk. In de smalle straatjes en op de vele trappen wriemelt, op het avonduur van mijn bezoek, het leven als in een mierennest.

Veel kleine kinderen met bruine snoetjes, git-oogen en zwarte haren loopen, stoeien en ravotten er op hun bloote voeten en de ouderen staan in groepjes bij de deuren van hun huizen druk en beweeglijk hun buurpraatjes te houden.

Daarnaast krioelt het er van katten. Evenals in oud-Nice schijnt ook hier het leven zich geheel en al op straat af te spelen.

De huizen moeten slechts gebruikt worden om te slapen. Ieder huis, dat hier in de nauwe straatjes staat geplakt of zit opgestapeld, zouden wij onmiddellijk onbewoonbaar willen verklaren. Zij hebben slechts een deurgat om binnen te kruipen en een ander gat, dat de functie van raam vervult maar zeer zeker met de bedoeling er eerder lucht dan licht te laten binnenkomen.

Deze woningen roepen gedachten op aan een berg met konijnenholen. Des avonds kruipen de bewoners in hun hol om er 's morgens uit te voorschijn te komen en er weer niet terug te keeren voor den volgenden avond. Maar gelukkig dat zij het klimaat mee hebben! Dat het dwalen tusschen de donkere menschentypen in de onmogelijke straten nu een bepaald rustig gevoel geeft, kan ik niet zeggen maar toch is die huivering absoluut overbodig.

Bij nadere kennismaking, waartoe ik een goede gelegenheid krijg als ik in het labyrint ben vastgeloopen en midden in een groenten- en fruitwinkeltje terecht kom, blijkt het volk er van een goedaardig en gemoedelijk slag, waarbij vooral de volksche jovialiteit typeerend is.

Dienzelfden avond richt ik ook nog de schreden naar het fort aan de zee, dat ik heel naïef en onwetend wil betreden omdat mijn gids het toch ook als een bezienswaardigheid vermeldt, maar de schildwacht is op zijn "qui vive" en ik blijf er dus natuurlijk netjes uit. Mijn "Doodenhuis" was een "Zonnehuis". Wel een heele metamorphose heeft den volgenden morgen het "Doodenhuis" mijner verbeelding ondergaan.

Ik word binnengelaten in een royale eetzaal op de bovenverdieping met groote deuren en ramen, die wagenwijd openstaan en waardoor de zuidelijke zon overvloedig binnenstraalt. Ik ontdek dan, dat de deuren uitkomen op een lang balkon, dat aan twee zijden langs het huis loopt en een prachtig uitzicht geeft op de azuurblauwe zee in het Zuiden en in het Noorden op de Alpen, waartegen, tot op een hoogte van meter, in een weelde van pijnboomen, olijven, cactussen en vele andere subtropische planten ontelbare villa's verspreid liggen.

Dat is de Azure Kust op haar schoonst! En dan de tuin van mijn "Doodenhuis", dat nu een "Zonnehuis" geworden is.

Vlak vóór het balkon staan, behalve weelderige palmen, mij onbekende boomen, waarvan ik echter twee soorten toch al direct weet thuis te brengen omdat zij sinaasappelen en citroenen dragen. Die andere met de goudgele vruchten ter grootte van duiveneieren zijn olijfboomen, weet het meisje, dat mijn ontbijt serveert, te vertellen. Ze ziet, dat ik groote belangstelling voor deze heerlijke vruchten aan den dag leg.

De sinaasappelen zijn helaas nog niet rijp, anders mocht ik ze zoo recht van den boom plukken, maar met de olijven is het beter gesteld.

Spoediger nog dan ik durfde verwachten maak ik kennis met de vruchten, want zonder dat ik er ook om gevraagd heb, wordt er mij een schaaltje opgediend. Na de eerste geproefd te hebben ben ik voor deze heerlijke, zoete vrucht gewonnen. Als mijn ontbijt eenmaal achter de kiezen zit, ga ik op verkenning door den exotischen tuin, waarbij de huisknecht van gisterenavond, die zich als een echte praatvaar ontpopt, als gids fungeert.

De tuin, die spits toeloopt en aan weerszijden door een straat begrensd wordt, is in drie stukken verdeeld. In het eerste en grootste deel, waar kiezel de paden bedekt, groeien majestueuze palmboomen, waaronder een tweetal Engelsche dames - ik ben dus toch niet de eenige gast!

Dan komt er een afgesloten deel, dat als kippenren is ingericht en daarachter weer een prachtstukje met palm- en olijfboomen, waarvan de laatste zwaarbeladen van vruchten zijn. En dat is een citroenboom en dat een sinaasappelboom, vertelt de huisknecht, die uit mijn eindeloos gevraag wel heeft opgemaakt, dat ik alles gaarne weten wil. Of men die olijven ook plukken mag, vraag ik. O ja, natuurlijk en dan begint de plundering totdat ik mijn beide broekzakken stampvol heb zitten.

Zie zoo, dat zullen straks, onderweg, heerlijke versnaperingen beteekenen. Hoe ik gisteren dit huis met zulk een afkeer heb kunnen bekijken, lijkt me een raadsel, nu is er alles leven, zon en vroolijkheid. Het verdere deel van dezen ochtend wordt besteed aan een nader onderzoek van het stadje, waarvan ik nu den zeekant kies. Ik ga zitten op den steenen kaderand zóó, dat mijn voeten boven het water bemmelen en laat dan, gedachtig het "carpe diem", de heerlijkheid rondom op mij inwerken.

De baai van Villefranche, die in het Oosten wordt afgesloten door de Kaap Ferrat, vormt een prachtige reede met een oppervlakte van ha terwijl de diepte 25 tot 80 meter bedraagt. Dit azure meer is aan alle zijden tegen den wind beschermd. Als de mistral de wateren van de Engelenbaai bij Nice en van de zee bij Eze wild opzweept, dan houdt de schuimlijn op tusschen Kaap Ferrat en de Mont Boron aan de tegenover gelegen zijde en bij Villefranche klotst het water rustig als altijd tegen de kade.

De grootste schepen vinden hier een veilige ligplaats en vele maken daarvan regelmatig een graag gebruik. Nu is het er echter heel stil. Er ankert slechts één groot Engelsch touristenschip, dat vannacht of in den vroegen morgen moet zijn aangekomen want gisterenavond heb ik er de lichten niet van gezien.

Voorts zijn er vele kleine bootjes, die rustig dobberen, evenals de dobber aan de hengel van den inzittenden pleziervisscher. Op de kade zelf ligt het vol met groote, fijngemaasde vischnetten, die door nijvere vrouwenhanden geboet worden. Zij geven een typisch effect aan dit milieu, waarbij de opgedrongen huizen tegen de helling met den slanken klokketoren van de kerk het decor vormen.

Vooral vanuit de zee gezien moet dit stadje een onvergelijkelijk schoonen aanblik opleveren, want dan heeft men bij de reeds genoemde decors ook nog de oude citadel, een zwaren achthoekigen toren, en andere resten van oude versterkingen. Het valt me moeilijk los te komen van deze plaats, waar het zoo heerlijk rustig is. Een wild uitvarend motorbootje dat 't water hoog opgooit zoodat het op mijn schoenen kletst, vermag zelfs niet die stilte te verbreken, evenmin als een trein, die heel ver weg door een tunnel glipt en zich naar Monte Carlo spoedt.

Maar een trekvogel toeft nergens lang. Geen half uur later bevind ik mij weer op route naar Beaulieu om vandaar uit via Eze nog dien zelfden dag Monte Carlo, dat op 12 km van Villefranche ligt, te bereiken. Van Nice en derhalve ook van Villefranche kan men zich over drie verschillende wegen naar Monte Carlo begeven. De eerste weg is de Grande Corniche, ook wel de Oude Corniche geheeten, daar deze route reeds in werd opengesteld op bevel van Napoleon en ook wijl ze grootendeels de route benut heeft van den ouden verkeersweg de Via Aurelia.

Ze leidt dan ook over La Turbie, het "Alpis Summa", dat op den reiswijzer van Antonius voorkomt en waar nog een oude trophee, opgericht ter eere van keizer Augustus, aan het verblijf der Romeinen herinnert. Deze weg stijgt tot meter hoogte boven Monte Carlo dat hij in 't Zuiden laat liggen en loopt door tot Menton. Daar ik niet met zekerheid weet - dit blijkt althans niet uit mijn kaart - of het mogelijk is op een gemakkelijke wijze naar Monte Carlo af te dalen, hecht ik er de voorkeur aan van dezen weg maar geen gebruik te maken.

Er blijft mij nu nog de keus tussen Moyenne en de Petite Corniche. Hij werkt zich halverwege tot meter hoogte tegen de bergen op, raakt het karakteristieke dorpje Eze en daalt rond de steile uitloopers van de "Tête de Chien" naar Monaco af. Eze wil ik in ieder geval aandoen maar ook Beaulieu doch dit ligt weer aan den derden weg, de Petite Corniche, die langs de inhammen en bochten van het kuststrand kronkelt, aan den voet der Zee-alpen die hier de zee naderen.

Tot bereiking van mijn doel is er derhalve noodig, dat ik beide wegen met elkaar combineer, dus eerst tot Beaulieu een stukje Petite Corniche en dan verder Moyenne Corniche. Hoe ik in Beaulieu van den laagsten weg op den middelste moet geraken, vertelt mijn kaart weer niet. Er komt geen streepje op voor, dat eenige verbinding tusschen beide straatwegen aangeeft, maar het lijkt me toch wel wat gek als er niet ergens naar boven geklommen zou kunnen worden.

In het volste vertrouwen hierin wel te zullen slagen, ruk ik op. Deze tocht, die door een weelde van bloemen en planten gaat, benut ik deels om mijn kennis van de subtropische flora uit te breiden. Dit is nog niet zoo gemakkelijk als 't lijkt, want je moet alles vragen. Uit boeken kan je wel weten, dat er bijv. Ja, de sinaasappelen en citroenen kan ik zelf wel thuisbrengen, de olijven heeft men mij in Villefranche gewezen maar waar blijven nu de vijgen?

Ze trekt wel een verwonderd gezicht, de oude vrouw, die ik op mijn weg vraag me 'ns een vijgeboom aan te wijzen. Daar, naast een ingevallen huisje, dat door een muurtje van den weg ligt afgesloten, staat er toevallig één, wiens takken met vruchten tot boven den muur reiken. We schrijven nu einde Mei, maar toch klauter ik op den muur om een paar zakjesvormige, grasgroene vruchten te plukken.

Ze lijken niet veel op dat wat wij in Holland uit een biezenmat voor een dubbeltje het pond koopen. Één vrucht wordt er opengebroken. Vlotte meid 20 zoekt een lieve leuke man. Ik kom maar weinig lieve en leuke mannen tegen en zou het wel heel leuk vinden om eens op deze Als jij op zoek was naar een lieve meid dan hoef je nu echt niet meer verder te zoeken want lief dat ben ik echt wel. Ik ben 20 en heb niet Ik ben toch al een tijdje op zoek naar een leuke man maar zijn ze allemaal bezet of loop ik ze net mis?

Dacht laat ik hier eens kijken of Mijn naam is Katja, ik ben een vrouw redelijk op leeftijd namelijk 63 jaar maar ondanks mijn leeftijd ben ik toch nog behoorlijk Ik ben Demi, 19 jaar en woon bij mijn oma in Nieuwegein. Mijn grote probleem is dat ik last heb van bindingsangst. Toen ik 13 was ben ik Hoi heren, mijn naam is Lily uit Velp ben een levendige dame van 61 en op zoek naar een man die me niet kan weerstaan.

Ja je leest het goed, ik ben 60 jaar. Ik woon in Hillegom en ben werkzaam in een activiteiten centrum voor ouderen. Sinds mijn 55ste ben ik Hoi, Ik ben Pam, ik ben 25 jaar en vrijgezel. Al mijn gehele leven kamp ik met problemen met mijn stembanden.

Niet dat ik niet kan praten Zo ik heb een een kijkje genomen in deze rubriek en het viel me op dat er zoveel prachtige beeldschone vrouwen een contactadvertentie Winkels Advertentie plaatsen Inloggen.

Zoetermeer - 43 minuten geleden. Durf jij een leuke toekomst Noord holland - 44 minuten geleden. Soms wat dominant maar ook Gouda - 45 minuten geleden. Welke lieve, sociale man Alkmaar - 52 minuten geleden. Zuid holland - 54 minuten geleden. Lieve vriend en papa gezocht Vroomshoop - 55 minuten geleden.