Lesbische meisjes hebben sex kleine lul neuken

lesbische meisjes hebben sex kleine lul neuken

De badpak- of bikinironde wordt daarom geschrapt. Het besluit volgt op de kritiek in de VS dat zo'n onderdeel niet meer van deze tijd is, maar de nasleep van MeToo speelt ook een rol. Het lijkt onderdeel van een grotere beweging. Zo schrapte de Formule 1 eerder dit jaar de 'pitspoezen'. Deze schaars geklede vrouwen stonden gewoontegetrouw rondom de auto's en coureurs voor de start van een grand prix.

Volgens de organisatie staan de 'pitspoezen' haaks op de huidige maatschappelijke normen en waarden. Is er sprake van een cultuuromslag waarbij vrouwen meer als mens en minder als lustobject worden gezien?

We spreken erover met o. Marli Huijer, bijzonder hoogleraar Filosofie aan de Erasmus Universiteit. Zij schreef eerder het boek Beminnen, dat als thema seksualiteit heeft. De afgelopen tijd volgde hij in Vlaardingen de nasleep van de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij ONS. Vlaardingen de grootste partij werd. De lokale partij is opgericht door inwoners die vinden dat de politiek te ver afstaat van de burgers. De raadsleden gaan de straat op, naar eigen zeggen is voor hen "geen probleem te klein".

Vlaardingen behaalde bij de verkiezingen 6 zetels en ging ervan uit in het nieuwe college te komen. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. Het gaat niet om een toneelstuk, maar om een oefening waarbij ook de politie betrokken is.

Ouders en leerlingen van de school vinden het maar niks. Het zou onnodig angst zaaien onder scholieren. De school betreurt de onrust die is ontstaan, maar zet de oefening door.

Eergisteren - Actualiteitenmagazine, Vanavond onder andere in Nieuwsuur: Met regelmaat van de klok schelden ze de boer, werkzaam op het terrein, uit tot hij het niet langer verdraagt en wegvlucht. De nonnen Alessandra, Fernanda en Genevra leiden een eenvoudig bestaan in hun klooster. Hierop neemt eerwaarde Tommasso de nieuwe knecht Massetto aan. Deze is een viriele jonge dienaar die gedwongen wordt onder te duiken.

Om enige verleiding bij de zusters te ontmoedigen moet hij zich voordoen als een doofstomme. Massetto worstelt met het handhaven van deze leugen als het onderdrukte nonnenklooster uitbarst in een wervelwind van seksualiteit, drugsmisbruik en feestvreugde.

Tijdens een van zijn illegale nachtelijke escapades over de grens in Tel Aviv ontmoet Nimr, een Palestijnse psychologiestudent uit Ramallah, de Israëlische advocaat Roy. Ze voelen zich onmiddellijk tot Ze voelen zich onmiddellijk tot elkaar aangetrokken.

Ze gaan daten en worden verliefd. Terwijl zijn relatie met Roy zich ontwikkelt, wordt Nimr geconfronteerd met de harde realiteit van een Palestijnse maatschappij en een familie die zijn seksualiteit niet accepteert. Maar ook Israël vormt een bedreiging: Nimr vindt troost en liefde bij Roy en droomt tegelijkertijd van de dag dat hij zijn studie kan vervolgen in Amerika.

Nimrs leven neemt een dramatische wending wanneer een bevriende, naar Tel Aviv gevluchte homo door de geheime politie wordt ontdekt en teruggebracht naar Ramallah. Daar wordt hij door zijn landgenoten in koelen bloede vermoord. En zo ja, waar komt het dan vandaan en hoe is het mogelijk dat homoseksualiteit de evolutie heeft overleefd?

Dat zijn de vragen waar de homoseksuele documentairemaker Bryce Sage al sinds zijn coming-out mee worstelt. Bryce reist de hele wereld over om op zoek te gaan naar antwoorden op deze fundamentele vragen. Tijdens zijn zoektocht verkrijgt Bryce allerlei nieuwe inzichten over de biologische achtergronden van seksualiteit en komt hij oog in oog te staan met zijn eigen identiteit en familiegeschiedenis. Je geeft door gebruik te blijven maken van deze website, of door op "Akkoord" te klikken, toestemming voor het gebruik van cookies.

Wil je meer informatie over cookies en hoe ze worden gebruikt, bekijk dan ons cookiebeleid. Ze hadden ook van die lage krukjes en geen WC.

Als je moest pissen werd je naar de krul in de Eggertstraat, in de schaduw van de Nieuwe Kerk verwezen. Ik sta op het Leidseplein als ik aan de Wenteltrap moet denken. Ik kijk naar de lichtvoetige toren van de City, waarin lichtjes branden die een wenteltrap suggereren. In het najaar van stond ik ook op deze plek. Ik was uit de 10 gestapt en had mijn pas ingehouden, omdat vlak voor mij een prachtige vrouw met een diep ­decolleté zich zo diep voorover had gebogen om iets aan een schoen te doen, dat ik de verleiding niet kon weerstaan, en keek.

Jip Golsteijn, beroemd popjournalist, vriend van een ­Elvis Presley, van een Otis Redding en een mij. Hij had zijn zwarte hoed op zijn Golsteijnkop en we gingen meteen naar Palladium, zijn café, voor de nodige drankjes, een tirumisu en een goed gesprek.

Een paar maanden later was hij dood. Een tijdje terug hoorde ik dat er een brug naar hem is vernoemd. Ondanks dat mis ik hem. Niet dat ik het kopen wilde, in geen achthonderdvijfendertig jaar, zoals mijn moeder gezegd zou hebben, maar misschien was het wel leuk om een foto te maken.

Voor later of zoiets. Nu ben ik de gelukkige bezitter van het schitterende boek Mijn Speelgoed Vliegtuigjes uit de collectie van Patrick Despature en de kans dat het toestel daarin stond afgebeeld, was niet denkbeeldig, maar waar staat geschreven dat ik moet uitzoeken of het daadwerkelijk zo was?

Veel eenvoudiger toch om even naar de Spiegelstraat te fietsen en daar zelf een foto te maken? Kom ik nog eens op straat en bovendien, het is een leuk tochtje. Toen ik bij de winkel aankwam, bleek de F-anny verdwenen, verkocht, een hele opluchting. Nadat ik een uit stammend hemelsblauw pennytoy raceautootje met een gele cockpit als de helm van een baanwielrenner had gekocht, vertelde ik over Mijn vader zat toen drie maanden in Engeland om de automatische piloot te bestuderen.

In zijn brieven die door mijn moeder werden voorgelezen, beloofde hij een vliegtuigje dat echt vliegen kon, maar toen hij terugkwam, bracht hij twee Dinky Toys voor me mee.

Bij mijn favoriete haringkar, die van Jan op de hoek van de Potgieterstraat en de Bilderdijk, at ik een harinkje dat me zoals ­gewoonlijk voortreffelijk smaakte. Jan vraagt altijd even naar mijn kleindochter die hij al kende toen hij met kar en al nog in de De Clercqstraat op de brug over de Da Costakade stond. Kleindochter zal toen een maand of acht zijn geweest, maar al een liefhebber.

Op de brug was het nooit zo druk, maar hier kan je het treffen dat je zes man voor je hebt, van wie er twee drie haringen willen, zodat je tien haringen wachten moet. Want aan haringen van ­tevoren schoonmaken, doet Jan niet. Nadat ik hem gerust had gesteld, vervolgde ik mijn weg. Lekker in het lentezonnetje wandelde ik de De Clercqstraat af, langs de champagnebar van Five Brothers Fat en schoenmaker Hakan Koç, langs kapsalon Eclipz en het Theo Thijssenportiek, langs Sjoege en café Hendrix, dat vroeger Lido heette.

Alles zit nog steeds in dozen, maar tegenwoordig heeft hij een verhuiswagen nodig. En voor mijn vriend hier een dubbele whiskas. Met een blokje ijs. En inderdaad, want nog geen vijf minuten later begon Theun Verboden vruchten te neuriën.

Als hij het zong, was de lamp uit, zoals Ina altijd zei. Bij de Prinsengracht was de ingang naar de Nieuwe Spiegelstraat gesloten voor autoverkeer. Eindelijk gaat het de goede kant op, dacht ik, maar of het ook zo was, was zeer de vraag.

Want door dat het ene paaltje dat de straat blokkeerde, was een enorme verkeerschaos ontstaan. Die dus allemaal terug moesten. Of liever, aan het begin, je kunt met dit soort mededelingen niet voorzichtig ­genoeg zijn, is me gebleken. Had ik nooit moeten doen natuurlijk, want alles wat ik zag, was even begeerlijk, schitterende opwindautootjes, speelgoedtreinen en het ergst van allemaal, de vliegtuigjes.

Het ene vliegtuigje was nog mooier, was nog duurder dan het andere. Ik ging naar huis met een klein Japans saltovliegtuigje, dat voor zijn 75 jaar nog verbazingwekkend mooie sprongen maakte. Deze keer stond er een viermotorig Air Francetoestel in de etalage, de F-Anny van Joustra, handelaren in blik. Dof rood, euro slechts. Waar in de stilte ­tussen de bomen een wit prieeltje staat, terwijl de zonnewijzer hoog aan een achtergevel de tijd aanwijst.

En ik, gratis en voor niets, een prachtige schelp heb gevonden. Wie eerder opstaat dan normaal en eerder de straat ­opgaat, ziet dingen die hij normaal niet ziet.

De ochtendvroege stad is mij niet onbekend, maar kende ik vooral van laat, en dat komt niet meer voor. Om kwart over een lig ik er in of er moet, zoals laatst iets bijzonders op de televisie zijn.

De cinema is dood, mag ik graag verkondigen. Van kunstfilms krijg ik uitslag en de rest is voor kinderen. Waar ze er geen twijfel over lieten dat ook een zwerm haaien wel een hapje lust, wauw! Of het door dit cinematografische meesterwerkje kwam, weet ik niet, maar ik was vroeg uit de veren en vroeg op straat. Het leven kwam net op gang. En gaf me het gevoel dat ik in een oude Franse film terecht was gekomen. Bij het restaurant op de hoek was een meisje bezig tafels te dekken.

Ze hield een wijnglas tegen het licht en bespeurde een vlekje dat ze wegpoetste met een doek. Bij de kaaswinkel kwam de man van de schoenenwinkel ernaast naar buiten, waarna hij met zijn broodje bij zichzelf naar binnenging.

Ik ging naar binnen bij de bakker. Want wie zijn brood niet snijden laat, wil meestal een papieren zak. Van alle vaste ritjes die ik maak, is het ritje door Stil Zuid met bestemming slagerij Robert Zikking mij het liefst. O, de verrukkelijke keuzes die zich aandienen zodra ik mijn straat verlaten heb.

Neem ik de kade of neem ik de laan? Neem ik de straat of neem ik de weg? Voor de terugweg koos ik voor het poortje naar de Herculesstraat, en vandaar achter het Van Heutsz langs naar de Jan van Goyenkade. Voor een geopende deur stonden een man en een vrouw met elkaar te praten toen er een peuter naar buiten kwam.

De man tilde de peuter op en gooide hem hoger in de lucht dan ik ooit gedurfd had. Moeder en kind schreeuwden het uit, maar om verschillende redenen. Verpakkingsmateriaal, dacht mevrouw Cornelis, bij wie ik een kroketje had besteld. Ze had me gezien in een talkshow en vertelde dat haar man ook eens in een talkshow had gezeten, met Nico Haak van Honkie Tonkie pianissie op je sinaasappelkissie. Op slag gingen mijn gedachten terug naar de ochtend in november dat mijn vrouw me vertelde dat Nico Haak was overleden.

Aangeslagen ging ik de straat op, waar ik zag hoe een auto een bakfiets schepte, en de sinaasappels bij dozijnen over straat ­rolden.

Er stond een reiger op het balkon. Toen ik een jongen was, waren reigers nog trekvogels die kwamen en gingen met de seizoenen, zoals trekvogels dat doen, maar tegenwoordig staan ze op je balkon als ze al niet voor een deur staan te wachten op de wonderbaarlijke verstrekking van piepkuikens. De reiger stond op hoge poten op de reling en boog zich met enige regelmaat voorover om met zijn snavel de diepte af te tasten.

Ik was koffie aan het zetten en in de waterkoker water aan het koken voor thee. Ik dacht aan het versje dat mijn geliefde improviseerde toen we, lang geleden, vanuit de tram een goede vriend op het terras van het café bij de Hogesluis zagen zitten. Een week later was hij dood. Het water in de waterkoker kookte en maakte zoveel lawaai dat ik niet kon horen of de koffie in het espressopotje ook gaar was.

Ik boog me daarom voorover om mijn oor te luisteren te leggen. Inmiddels had ze een theezakje in mijn koffiekopje gehangen. Even was het of we in een stuk van Beckett zaten. Bij boekhandel Premsela, een eindje verderop, stond ik nog wat na te praten toen ik zag hoe aan de andere kant van de ruit Remco Campert zich diep voorover boog om te zien naar welk boek hij stond te kijken.

De dubbele a zit weer in de maand en dus gingen we richting Valeriusstraat waar het ooit begonnen is. Geen straat om van achterover te vallen, de Valeriusstraat, maar toch valt er van alles te zien.

Zo waren ze op diverse adressen in de weer om onder hun huis een schuilkelder aan te leggen en wat me ook opviel, was dat je bij menige voordeur kon zien waar vroeger de bel had gezeten. Alles verandert, maar sommige dingen blijven hetzelfde. Een geheime boodschap van de pastoor? Schuin aan de overkant lag café Bos er verleidelijk bij, maar wij zochten de ­oevers van de Schinkel op, waar de kade richting Zeilstraat drastisch versperd bleek door een vrachtwagen die probeerde een vuilcontainer op zijn rug te nemen.

Een kwartier later zaten we bij Gent aan de Schinkel, waar moeder en zoon even later ook binnenkwamen en we elkaar begroetten als buurtgenoten. Omdat ik een vriend die een enorme klus voor me had geklaard als beloning een fles goedkope wijn in het vooruitzicht had gesteld, begaf ik mij naar de Beethovenstraat. De Beethovenstraat is een bruisende winkelstraat met op iedere hoek een koffietent waar de barista iedere ochtend eigenhandig de glutenvrije koe heeft gemolken.

Toen ik de straat inliep, zag ik al van verre de altijd vrolijk stemmende wolken geel van de mimosa voor de deur van de bloemenwinkel. In het voorbijgaan rook ik hun geur die me even terugbracht naar een dorp aan de voet van de Pyreneeën, een mensenleven geleden. Terwijl het vriendelijke meisje de fles in een feestelijk zakje liet glijden, bewonderde ik de narcissen die op de toonbank stonden.

Ik ben niet zo goed in bloemen. Ik nam haar mee naar buiten en wees naar de gele lentewolken een paar winkels verderop. Nog steeds kan ik er niet over uit dat ik als jongen uit de Bos en Lommer de Lippijnstraat heb gemist. Onze kerstbomenopslag lag daar, klaar om verbrand te worden, en werd geroofd. We vochten natuurlijk terug, maar niet met latten met spijkers erdoor zoals wel beweerd wordt. Voor de visboer haalden we oude kranten op waar de vis in verpakt werd. Belden we aan en riepen: Heeft u nog oude kranten voor de blinden?

Als ik maar geen toverheksen zie! Het lijken een soort toverspreuken. Oude kranten voor de blinden was een leugentje, de kip ­zonder eieren moest de politie op afstand houden, terwijl de kreet de juut juist lokte en over de donkere bosjes uit het spel waaraan ook meisjes meededen, heb ik zo mijn vermoedens, maar het blijft gissen.

We liepen onder de overkapping achter het Centraal Station en waren op weg naar het pontje naar Buiksloot toen ik mijn naam hoorde roepen. Op het moment dat hij zijn naam noemde, zag ik in hem zijn vader verschijnen. Ik kende hem al als kleine jongen, junior meen ik, maar inmiddels had ik hem een tijd niet gezien.

Onlangs las ik wel een polemisch stuk van zijn hand waarin hij propageerde na het kakken water te gebruiken in plaats van een papiertje. Want hoe ging het?

Waar de ­familie Luijters al te lachen zat. Deze keer lachte Heere mee. Heere zei dat hij voor Schuttevaer werkte.

Gewapend met zijn camera trok hij de haven in om schippers van binnenvaartschepen te interviewen. Laatst was hij nog op receptie van de havenmeester geweest, waar hij een Parool-collega stevig van de hapjes had zien eten. Maar ik heb nog geen antwoord mogen ontvangen. Mocht u een dezer dagen het Stadsarchief bezoeken om de tentoonstelling Rapenburgerstraat te bekijken, sta dan even stil bij het adres Rapenburgerstraat 26 huis, waar het gezin Benjamin Blaaser woonde. Begin zaten de eerste vijf kinderen op de Jonas Daniël Meijerschool, de latere 2e Joodse School in de Batavierstraat.

Van die school is als door een wonder een absentieschriftje bewaard gebleven, waarin de kinderen Blaaser regelmatig een plaatsje kregen. Ook zijn er brieven van hun moeder waarin zij de reden van hun absentie toelicht.

Zo schrijft Maria Blaaser op 2 mei Zo gauw zij weer beter is komt zij weer naar school, maar woensdag waren zij ook niet naar school, dat kwam, ik heb een klok maar die deugt niet erg of hij staat stil of hij loopt hard.

Ik hoop dat u het mij niet kwalijk zult nemen, maar het zal niet meer gebeuren. Ik heb een klok of die staat stil of hij loopt. Nu vanmorgen stond de klok stil, zo doende was het te laat voor hun.

Moeder wist niet hoe laat het was. Maria en hun acht kinderen werden op 25 januari vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd waar ze op 28 januari werden vermoord.

Amsterdam is altijd mooi, maar Amsterdam in de winter is nog mooier. Het zal door het lage licht komen, dat het water in de grachten in zilver verandert en de gevels glanzen laat. Er kwam ons een grote man tegemoet met een grote gele pinopet op zijn kop, als was het een pannenkoek.

Bij Jordino stond een reusachtige paashaas in de etalage met allemaal kleine kuikentjes aan zijn hazenpootjes. In het verlengde van de stegen glinsterden de grachten. Bij Centrum op de hoek met de Prinsengracht namen we een haring.

Op het Singel dacht ik terug aan de dag dat er vlammen sloegen uit de koepel van de Lutherse kerk. Mijn vader heeft me eens verteld dat de koepel groen was door oxidatie van het koper. De koepel zal vanzelf weer groen worden, maar ik zal het niet meer meemaken.

Tenslotte belandden we op het terras van de II Prinsen op de hoek van de Prinsenstraat en de Prinsengracht. Het was ijskoud en de zon ving en verguldde de wijzers van de klok van de Noorderkerk die 5 voor half 5 aanwees. Er fietste een jongen voorbij met een Chinees meisje achterop dat een wollig wit hondje met uitgestrekte pootjes voor haar buik hield. Dat kregen we er gratis bij, op die koude middag in het mooie Amsterdam.

Vanaf een zekere leeftijd zouden wij geen nieuwe vrienden kunnen ­maken, maar wie op ­zekere leeftijd nieuwe vrienden maakt, weet dat het niet waar is. Wat hij ook weet, is dat hij zijn ­oude vriendschappen koestert met een vasthoudendheid die doet denken aan het achteloze ­gemak waarmee hij vroeger vriendschappen verbrak. Op een terras aan het Prins Bernhardplein zat ik tegen Bernard Hammelburg op te scheppen dat ik een vriend had met wie ik nog in de derde klas van de lagere school had gezeten.

Niet dat ik daar veel mee opschiet, want de vriend in kwestie heeft een geheugen waarin wel plaats is voor een miljoen schaakpartijen, maar niet voor derde klassen van de lagere school. Maar toch, de gedachte alleen al dat we een verleden delen, stelt me op de een of andere manier gerust.

Hij zou zich de toneelstukjes kunnen herinneren die we in de klas opvoerden, hij herinnert ze zich niet, maar het zou kunnen, en dat is prettig. In een klap kwam het hele continent van heden en verleden in beeld, breuklijnen en al.

Wie lid was van de Joodse jeugdbeweging, padvinderij of AJC heeft vrienden van heel vroeger, kan ze hebben in ieder geval. Hetzelfde geldt voor iemand die uit een buurt komt waar weinig werd verhuisd, maar wie van Leeuwarden naar Amersfoort naar Amsterdam ging, is iedereen kwijt.

Ik ging van West naar Zuid en liet mijn westvrienden achter, behalve die ene dus die trouwens in Zuid woont en pal om de hoek. Al een jaar of 25 hoor ik mijn geliefde zeggen dat ze wel eens een patatje zou lusten van Wil Graanstra op de Westermarkt, maar om de een of andere reden komt het er niet van.

Vanmorgen bijvoorbeeld was de patatrij langer dan de rij voor het Anne Frankhuis, maar na een mooie stadswandeling door een ijzig Amsterdam kreeg ze een herkansing.

De man bij wie we bestelden, droeg een bril met een rood montuur en een uitzinnige ijsmuts. Het was dus Graanstra zelf die hier friet stond te bakken. Er meldde zich een nieuwe klant, waarop bleek dat ik een beetje in de weg stond. De juf was niet ouder dan zesentwintig schatte ik. Het mocht dus haast een wonder heten dat zij nog wist wat een brief was en dat je hem om hem ergens heen te sturen in een brievenbus moest doen. Zou ze weten dat er een postzegel op moet, bedacht ik, zorgelijk als ik nu eenmaal ben.

En kregen de kinderen wel een cijfer? Lang geleden las ik over een meisje dat een 8 voor sperziebonen had. Ook heb ik iemand gekend die op de Joodse school een onvoldoende had voor zegeningen, en in een interview dat ik kort geleden las, zei de 9-jarige Nena Verdonk: Wanneer houden kinderen op moet huppelen? Op het moment, denk ik, dat ik ophoud me zorgen over hen te maken. Moeders die hun fiets op de standaard zetten terwijl hun kind in een mandje achterop zit, kinderen die achter hun bal aan dreigen te rennen als die van de stoep afrolt, moeders die op hun telefoon kijken terwijl hun kinderen in een pierenbadje spelen, overal zie ik gevaar.

In de tram had het meisje zich aan de greep van haar moeder ontworsteld en drong langs mij naar de uitgang. Waar de man die naar buiten stapte zojuist het klaphekje had losgelaten.

Ik wist er nog net een hand tussen te krijgen en zag haar vrolijk weg huppelen, nieuwe gevaren tegemoet. Aan de Distelweg, vlak voor je bij de Aster­dwarsweg komt, kun je achter een hek de Food Coop Noord zien liggen. Ik zag kleine zelfgebouwde huisjes, waarvan een met een boot op het dak en een ander met een tafel voor de deur waarop een grote ­globe stond. De moslima van dienst die zei dat ze de sleutel ging halen, bleef een hele tijd weg en toen ze kast wilde ontsluiten, bleek hij al open, zodat we allebei een lachbui kregen.

Bij de betaalbalie legde ik mijn euro neer. Bij café De Pont gingen we aan het raam zitten om over het IJ te kijken en naar de schepen die met grote snelheid langzaam voorbijvoeren.

Als je bij De Pont een plasje wil doen, moet je een heel steile trap op die je daarna ook weer af moet. Omdat we wilden zien hoe het Van der Pekplein er tegenwoordig bij ligt, namen we het pontje naar de Buiksloterweg. Het was een mooie frisse dag en het IJ strekte zich aan beide kanten uit zover je kijken kon.

De Zuiderzee ligt achter een dijk en daardoor is het licht veranderd, maar op het IJ ligt het er volgens mij nog net zo bij als in de zeventiende eeuw. Vanaf de pont zag ik zelfs de drie masten van een driemaster. Dichterbij gekomen zag ik een vrouw bezig de was op te hangen. Een wasje in de wind is altijd al een feest, maar als het wasje ook nog op een zeilschip wappert, raakt het aan geluk, dat slechts wordt overtroffen door een wasje op een schip dat hoog aan de wind het water klieft.

Het Van der Pekplein had een verfje gekregen, maar leek verder sprekend op het Van der Pekplein van weleer, net als de Van der Pekstraat trouwens. En vindt zijn bekroning in de Wasknijper, een brug van formaat over het Buiksloterkanaal. Een ­geheimzinnige tekst die dromen doet en me onweerstaanbaar denken deed aan de tekst die ik eens zag op een groot gebouw in Berlijn.

Waar we liepen lag eens Asterdorp, in gebouwd als schoremstad, tijdens de bezetting ­verworden tot Joods getto, inmiddels spoorloos verdwenen. In de tram stond een oude vrouw met een rollator.

Toen ik uitgestapt was, zag ik dat er vlak voor de tram een vel bladmuziek tussen de rails lag. Oprapen, maar pas na oogcontact met de bestuurder, want o wee als de tram ineens ­begint te rijden. De oude vrouw met de rollator was ook uitgestapt, zag ik, maar zonder rollator en voordat ik iets had kunnen ondernemen, was ze al in de volgende tram gestapt die knarsend het stoplicht haalde en in razende vaart over de brug verdween.

Duivelseiland lag gevangen in een volle regenboog met al zijn kleuren. Duivelseiland, waar de jonge mensen wonen, ligt aan de andere kant van de straat. Frikkendorp, voor de oudjes, aan de onze. Maar Moord en Brandbuurt was me tot voor kort ontgaan. Ze zullen het ernaar gemaakt hebben in de Spaarndammerbuurt, dat voorbeeld van verheffende architectuur, met zijn ramen die niet helemaal open kunnen om over de vensterbank hangend kletsen te voorkomen, zijn aan de vloer vastgeschroefde tafels en zijn schuurtjes met moestuingereedschap.

Niets van dat al in de Indische Buurt, waar toch ook arbeiders woonden. Er staat daar een school die genoemd is naar Jan Pietersz. Dat kan zo niet langer. Behalve in de Indische Buurt dan. Met u hoop ik dat die oude mevrouw haar rollator teruggevonden heeft. En de gevonden muziek bleek fijne marsmuziek, soms weet je niet waaraan je het verdient. Wie een boek schrijft, zal het ook corrigeren.

Corrigeren is als spinazie wassen, er blijft zand uitkomen, en zo volgt na iedere correctieronde een nieuwe correctieronde, tot het boek naar de drukker moet en het wassen, zand of geen zand stopt.

In mijn boek sterft de Rapenburgerstraat met zijn bewoners die huis na huis, trap na trap uit hun woningen worden gehaald om via Centraal Station en Westerbork naar Polen worden gedeporteerd om daar vermoord te worden. Toen iedereen weer dood was, borg ik het manuscript op en maakte me klaar om de deur uit te gaan voor boodschappen.

De herinnering is het brood der doden, dacht ik terwijl ik de deur achter me dichttrok. Vlak voor de Ceintuurbrug, zag ik, liep een smal in het gras uitgesleten pad in de richting van het benzinestation, hoe was het mogelijk dat ik het nooit eerder had gezien, het pad meen ik. In het café stonden de vaste klanten iets te vieren. Mij was het iets te gezellig. Nadat ik het ­rumoer had binnen gesloten keek ik de lange straat af die aan beide zijden tot het water reikt.

Tijd voor de maan om boven de daken uit te komen. Een paar jongens uit de ­Esmoreitstraat, inmiddels allemaal oude ­mannen, zijn bezig een straatreünie te organiseren. Ze stuurden me een lijst met namen die ze hadden achterhaald.

Zo kwam het dat ik terugdacht aan het eerste en ­tevens laatste kinderfeestje dat mijn moeder voor mijn verjaardag heeft gegeven.

Meteen aan het begin van het feestje was het misgegaan, want buurjongen Bartje wilde zijn jas niet uittrekken, terwijl ik juist wilde dat hij dat wel deed.

Waar een negenjarige zich al niet over opwindt. We liepen door de Haarlemmer­straat of op de Haarlemmerdijk, toen ik het verhaal aan mijn geliefde vertelde. Ze was natuurlijk bang dat ie gestolen werd. Laatst kwamen een vriend en ik via associatie op Franz Reichelt, de kleermaker die op 4 februari vanaf de Eiffeltoren weg zou vliegen om vervolgens als een baksteen naar beneden te vallen.

Er schijnt een parachuteclub naar hem te zijn genoemd, maar dat terzijde. Waar het om gaat, is dat mijn vriend een verhaal vertelde dat ons op Reichelt bracht en dat we allebei vergeten zijn welk verhaal dat was. Het verhaal dat weer aan dat verhaal vooraf ging, herinner ik me wel. Dat ging over Bulletje en Bonestaak die op Manhattan wachten op de in rubberbanden verpakte man die na dertien dagen, zeven uur en tweeëntwintig minuten weer contact zal maken met de aarde om daarna nog hoger de ruimte in geslingerd te worden.

Het bruggetje dat de overzijden van de twee verhalen tot buren maakte, lijkt voor altijd kwijt. De krantenwinkel naast de kaas bleek gesloten. Er was geen brood in huis, maar door tijdgebrek moest er gekozen worden, tussen brood van een eind verderop of een krant van een eind terug. Brood of krant, krant of brood. Het werd de krant. Bij de zebra op weg naar Martyrium meende ik aan de overkant een dame te ontwaren met net zulk grijs haar als ik, met dat verschil dat haar haar vroeger platina was geweest en het mijne melkboerenhonden.

Terwijl ik me iets voorover boog en een oog sloot om beter te kunnen zien, zag ik dat zij hetzelfde deed. Het ging haar goed, maar oud worden, vond ze niet echt een feest. Even later betrad ik Martyrium, waar een grote Lucebertposter in de etalage hing. En nu bleek hij plotseling de beste dichter van Nederland te zijn geweest. Ik moest er aan denken toen ik bij de kapper binnenstapte waar Alies uit Akersloot die tijdens het knippen vaak zo gezellig met mij praat al op me stond te wachten.

Truitje, klinkt goed, vindt u niet? Bij twee nichtjes die naar België waren verhuisd en op school zoveel plezier hadden omdat ze er op de poep ­zaten. Maar de Belgen zeiden dat het een aardappel was. Als je naar het frietkot gaat en je vraagt om een patat, dan krijg je een aardappel. Hebt u eigenlijk kleinkinderen? We gaan straks naar haar toe. Mag u haar op straat nog een knuffel geven? Nadat ik mijn kleindochter begroet had, streek ze met haar hand over mijn gemillimeterde hoofd en zei: Wie tramt zit met zijn neus in de tramrails, wie loopt of fietst is zo vrij als een vogeltje.

Ook als de bestemming vast ligt zijn er duizend ­manieren om er te komen. Neem ik de toeristische route? Zelfs als je de kortste weg neemt, zijn er vele mogelijkheden.

Als een straat opgebroken is of ­afgesloten wegens weet ik veel is er altijd een sluipweg, meestal vlak langs de huizen. Er staan borden die met boetes dreigen en mannen met hesjes die driftig gebaren, maar het is geen Amsterdammer die zich daar wat van aantrekt.

Bij de werkzaamheden rond het Weteringcircuit hebben ze het daarom anders aangepakt. Wat er gebeurt als je naar links gaat, heb ik nog niet uitgeprobeerd, maar ga je rechtsaf dan zit je gevangen tussen twee ijzeren tangen en heb je maar te gaan zoals de pijlen wijzen.

Zo kwam ik terecht in de Den Texstraat waar ik heel lang niet geweest was en meteen een hoogst interessant poortje zag, waarvoor ik helaas geen tijd had. Via de ­Nicolaas Witsenstraat hervond ik de vrijheid. Ik stak over richting Reguliersgracht en zo schuin tegenover de Alhambra moest ik denken aan de nachten dat hier nog druk getippeld werd. Ik stond hier toen eens met een dame die daar geen weet van had.

We wilden een taxi en toen ze een auto zag naderen, ontsnapte ze naar de trottoirband en stak haar hand op, waarna de auto prompt tot stilstand kwam en het portier openzwaaide. Ze boog voorover voor overleg en riep toen: Wie bij een Chinees eet, heeft het vaak een tijdje over eten bij de Chinees.

We kwamen uit de Openbare Bibliotheek aan de Oosterdokskade en we wilden ergens een hapje gaan eten. Maar waar, was de vraag. Totdat iemand opmerkte dat er vlak voor onze neus een enorm Chinees restaurant in het water dreef. Gauw naar de loopplank dus en aan boord. Zonder dat we er om hadden gezeurd, werden we naar de mooiste tafel van het restaurant geleid, uitzicht op het water en de bootjes en op de huizen en de torens die ­boven de huizen uitstaken aan de overkant.

Intussen waren de drankjes gebracht en was het verplichte uitwisselen van herinneringen aan Chinese restaurants begonnen. Eddy deed nostalgisch over tante Mia, een bamitent op de Oudezijds waar in de jaren vijftig heel artistiek Amsterdam goedkoop kwam eten. We bestelden, bestelden er bier bij en thee en mijn geliefde zei dat zij haar biertje pas wou als het eten op tafel stond.

Toen het eten er stond, kwam de jongeman die ons vlekkeloos bediende, vragen hoe het ook alweer zat met dat biertje. Toen we uitgegrinnikt waren, stond het op tafel. Op weg naar de uitgang van het zeepaleis bewonderden we de enorme uit hout gegutste adelaar die met gespreide vleugels in de hal staat. In de lege winkelruimte in de Roelof Hartstraat stond een ronde tafel met daaromheen negen stoelen. Op de tafel lag een schedel, van een paard zo te zien, en er stond een beeld van een grote witte hond met zwarte vlekken.

Op een van de negen stoelen zat een man op zijn telefoon te kijken. Bij de Ceintuurbrug lag een ­gestroomlijnd jacht afgemeerd, vernoemd naar een society­verslaggever uit lang vervlogen tijden. Ik wist het niet. Nadat we bij Marqt van die lekkere viskoekjes hadden gekocht, zochten we Sarphati op voor een drankje. Het meisje dat ons een borrel bracht, hield er een in elke hand en liep stapje voor stapje om niet te morsen. Oude man valt in herhalingen.

Een paar dagen later schonk ik in de keuken een borrel in en liep er voorzichtig mee naar de huiskamer. Nadat ik de glaasjes op tafel had gezet, dacht ik, hé, ik had ook aan tafel kunnen inschenken. Niks te zien en er gebeurt nooit wat. Sinds een tijdje zijn ze bezig het voormalige politiebureau te verbouwen tot appartementen.

Ik volg het met argusogen. In de vroege morgen van zaterdag 5 juni liep ik met Frans de Bruyn over het landje achter de Glazen School. We hadden een winkelruit ingegooid en we konden maar beter bekennen, want anders gingen we naar het tuchthuis. Een paar weken later, op woensdag 30 juni, stond ik met mijn moeder voor het Hoofdbureau van Politie, waar ik om twee uur precies verhoord zou worden.

Maar om twee uur was ook de zonsverduistering en die ging voor. Het werd stil op straat. Schaduwen verdwenen, de gebouwen stonden in het bleke licht alsof het uit karton geknipte decorstukken waren. In januari ging Jan Donkers, en o wat zal ie het koud hebben gehad, met een fles jenever naar Gerard Kornelis van het Reve om hem te vragen of hij beschermheer wilde worden van het jongemannengezelschap Baart.

Dat wilde Gerard wel. Met een knalfuif, filmpjes waarop je kon zien hoe jong we vroeger waren, toespraken, een etentje en een boek, Het dispuut Baart, hoe 16 Amsterdamse jongens wel even de media zouden veroveren.

Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging.

Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is. Dokter Frits kwam, keek en zei: Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen. Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd. Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed.

Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk. Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam. Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde. Ik wilde wel dat het in de Spaanse Brabanderstraat was, maar het was in de Grianestraat dat ik samen onder onze paraplu gebakken vis rook. Echt verbaasd was ik niet, want om de hoek op de Bos en Lommerweg, wist ik, lag de vishandel van de Gebroeders Molenaar, geen kar, maar ook geen winkel, iets er tussenin.

Molenaar is een visboer zoals visboeren horen te zijn. Alle vis die een mens zich wensen kan, voortreffelijk uitgestald, leuk personeel en gezellige klanten, voornamelijk van Marokkaanse ­afkomst. Ik bestelde een harinkje en terwijl ik het me smaken liet, volgde ik het gesprek tussen een meisje van de vis en Marokkaanse die even niet wist hoe de vis die ze ­begeerde ook alweer heette.

De dorade en de zonnevis hadden geen moeilijkheden opgeleverd maar nu zat ze even vast. Ten slotte wees ze op mijn haring en zei: Ik hoopte dat ze hem ter plekke soldaat zou maken, met uitjes en een stukkie zuur, maar ze liet hem inpakken, ook goed.

Even later staken we over naar de drukke kant van de Bos en Lommerweg, waar het wemelt van de patisserieën en de theesalons en waar door dames met kinderwagens geflaneerd wordt terwijl hun kleuters groepsgewijs aan uitzinnige lollies likken. De Bos en Lommerweg is anders dan in mijn kinderjaren, maar ik voelde me weer helemaal thuis. Binnen wisten we dat nog niet en vroegen we ons af of er nog mensen waren die wisten wat dat was, een binnenkomertje.

De Bos en Lommerweg is als thuiskomen. Hier kom ik vandaan, hier ken ik ieder huis en ­iedere steen, iedere hoek en ieder poortje.

Overal weet ik precies waar ik ben en als ik naar links ga of naar rechts draait de hele plattegrond met me mee. Maar ik was nog maar net voorbij pizzeria ­Michel Angelo of ik zag een paadje dat er niet hoorde te zijn maar er toch was. Het liep vlak langs het oorlogsmonument in de richting van de Hertspieghelweg.

Aan beide zijden van het pad lag een grasveld vol paarse krokussen. Ik liep het pad op en na paar stappen zag ik tot mijn niet geringe verbazing aan mijn rechterhand een straatje dat ik nooit eerder had opgemerkt.

Aan de ene kant van het straatje keek je op de achterkant van de huizen aan de Bos en Lommerweg, aan de andere kant lagen enigszins verwaarloosd ogende loodsen waarin ­garages zaten en stapels autobanden lagen opgetast. Het straatje, de Lippijnstraat, leek dood te ­lopen op de achterkant van de ­Admiraal de Ruijterweg die tevens de achterkant was van Indonesisch restaurant Betawi. Maar vlak voor het doodliep, was er een opslagterrein van Stadsdeel West.

Door de gleuf van de brievenbus zag ik pallets met stenen en dakpannen. Langs de muur van het terrein liep een pad dat naar een poortje leidde dat toegang gaf tot de Hertspieghelweg.

Om te zeggen dat mijn wereld instortte, nee, maar dat ik als jongen een geweldige straat als de Lippijnstraat geheel gemist heb, deed pijn. Wat hadden we in de achtertuinen en tussen de loodsen niet voor rotzooi kunnen uithalen. Met een afstand van 65 jaar zag ik ons joelend door het poortje rennen. De jonge mensen die ik leerde kennen toen ze nog jong waren, kende ik meestal via onze dochter. Maar Menno Wigman kenden wij onafhankelijk van elkaar, ieder op onze eigen manier.

Dochter was punk en bij punk hoorde punkband Human Alert. De haardracht, de manier van ­opmaken en de kleding van de jeugdige punkies uit mijn omgeving kon ik zeer waarderen, maar met de kolereherrie die punkgroepen produceerden had ik niks. Human Alert heb ik nooit zien spelen. In diezelfde tijd schreef ik in deze krant veel over Franse literatuur, over dichters uit de negentiende eeuw in het bijzonder. Toen wij elkaar kort daarna ontmoetten, vertelde de jonge dichter me dat hij de drummer was van Human Alert en een vriend van mijn dochter.

Zoiets schept een band. In de jaren die volgden is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen. Hij maakte naam als dichter, maar bleef dezelfde man, schuw maar heel uitgesproken, nooit gelukkig en altijd, leek me, op de rand van de armoede. De laatste keer dat we elkaar spraken, was in de Hij was op weg naar de zolderkamer op de Churchilllaan die hij had gehuurd omdat hij daar beter werken kon.

Het ging slecht met hem. Een hartkwaal, bijna dood geweest. Maar hij schreef, en daar ging het toch maar om. Een tijdje later, lees ik in mijn dagboek, stuurde hij me een lange brief. In de mail, dus die brief is weg, want op een dag was al mijn mail verdwenen.

Maar de foto van de jonge Human Alert drummer op zijn boze zwarte kistjes is er nog. Net als zijn poezie. De kennissen bij wie ik op bezoek ging, bleken in een dependance van het Rijksmuseum te wonen. Dezelfde architect, dezelfde baksteen, hetzelfde glas in lood en een monumentale trap die een monument is bovendien.

Met ­uitzicht op het Vondelpark, dat er roerloos bij lag, kregen we het over lammetjespap. Dat had ze als kind wel gedaan, maar lekker had ze het niet gevonden. Ik hield van havermout, maar lammetjespap vond ik lekkerder. De gladgestreken pap als een de volmaakte cirkel op je bord, het klontje boter precies in het midden. Als er maar geen klontjes in zaten. En zo was de lammetjespap van meneer Wodehouse jaar na verschijnen opnieuw aanleiding tot veel commentaar.

Toen ik de monumentale trap was afgedaald en het pand wilde verlaten, zat er een eekhoorn voor de deur die ­nadat ik hem had binnengelaten voor de tussendeur ging zitten ­miauwen. Nadat ik afscheid had ­genomen van mijn ­afspraak fietste ik de Rapenburgerstraat uit, stak ik de Weesperstraat over, dook ik de Nieuwe Amstelstraat in en draaide een paar tellen later aan de andere kant van de Blauwbrug de Amstel op.

Boven de ­Hermitage hing de maan. Vol en groot, wit met een zweem van blauw. Over de bruggen ging ik van ­Hermitage tot Carré en de maan ging met mij mee. De maan hing boven de voetbalvelden van VVA en het was precies zoals mijn oma zei, de maan liep met ons mee.

Ik zal een jaar of vijf geweest zijn. De sluisdeuren van de Amstelsluizen stonden open zag ik en hoezeer het mij ook speet, bij de Hogesluis moest ik rechtsaf.

Pas toen ik langs het Sarphatipark fietste zag ik de maan weer, want ik heb ogen in mijn rug. In het verlengde van de Eerste Jan Steenstraat stonden naast elkaar zes mensen de maan te fotograferen.

Wonderlijk, want geen mens lijkt ooit naar de maan te kijken. Ook nu niet, want het was een zwerm spreeuwen in een boom die gefotografeerd werd.

Toen de zwerm opvloog , de maan bijkans verduisterend, stoven de zwermkijkers uiteen. En zo gebeurde het dat er in de Eerste Jan Steenstraat drie mensen naast elkaar een blauwe maan stonden te fotograferen. In een steeds grijzer wordend verleden had ik een betrekking bij een grote uitgeverij die kantoor hield in een buitenwijk van Haarlem. Als het ­lunchuur was aangebroken zag je daar een heleboel mannen en vrouwen die zich naar hun auto haastten om in nog grotere haast weg te rijden.

Nader onderzoek leerde dat ze bij een aan de weg naar Alkmaar gelegen motel moesten zijn. Wat zijn daar gingen doen, is mij onbekend, maar eenmaal terug op het werk oogden ze vaak wat verfomfaaid. De stelletjes die ik in diezelfde tijd in het Miranda Paviljoen aan de Amstel zag, oogden in het geheel niet verfomfaaid, integendeel, ze oogden prachtig. Hij was meestal vijfenveertig en strak in het pak, zij nog net geen achtendertig, zorgvuldig opgemaakt, met oorbellen en hoge hakken.

Ze dronken witte wijn en zuchtten. Als ze vertrokken, liepen ze ieder naar hun eigen auto. Minder bekend is dat jonge mensen ook zulke hangouts hebben. Voor gestolen kussen treffen ­Marokkaanse geliefden elkaar graag in het plantsoentje van de Harmoniehof bij mij om de hoek, maar een nog mooiere plek was het charmante snackhuisje aan het begin van de Vossiusstraat, vlak bij de Van Baerle.

De jongens hier waren zelden ouder dan 19, terwijl de meisjes niet verder reikten dan 16, maar alles in hun gedrag wees op overspel. De schichtige blikken, de vaak wanhopige zuchten, het schimmige van hun komen en gaan. Het snackhuisje is afgebroken, maar de jongens en meisjes die er kwamen, zullen een andere plek hebben gevonden.

Niemand die mooier over straten schrijft dan ­Patrick Modiano. Zijn roman De horizon uit was me ontgaan, maar kwam met enige vertraging toch op mijn pad, zodat ik het weer eens kon controleren, en ja hoor: Op weg van hier naar daar kruis je de Rapenburgerstraat wel eens en een enkele keer volg ik hem een stukje, maar de straat als geheel wist me lang te ontsnappen. Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik ontdekte dat het einde van de straat tegenover de Harmoniehof ligt, van elkaar gescheiden door Boerenwetering en Hobbemakade, maar toch.

Aan het einde van de straat kan je het begin niet zien. Wel een hoog gebouw, waarvan de kenner aan mijn zijde beweerde dat het om het Okura ging. Onderweg beleefden we vele avonturen. Zo kwamen we langs een Albert Heijn die in koloniale waren deed en was er een boekenkastje met Ilias en Odyssee in het Grieks. Toen kwamen we aan de rivier waar de straat zijn oorsprong vindt en konden we niet naar de Unie voor een biertje, want een café is geen rivier.

Mijn grootvader was een strijker. Hij heette Cees en was kort na zijn tiende verjaardag naar Amsterdam vertrokken. Aalsmeer met zijn zwartekousenkerk waar hij op zondag vier keer naar toe moest, was hem te machtig geworden. Hij had zijn klompen aangetrokken en was naar Amsterdam gelopen. Of hij daar bij iemand terecht kon, of dat hij eerst als een jongen uit een roman van Dickens dagen en nachten over straat heeft gezworven, weet ik niet.

Als iemand dood is, merk je pas wat je vergeten bent hem te vragen. Het waren de dagen van het opkomende socialisme. Mijn grootvader sloot zich aan.

Hij hoorde Pieter Jelles spreken, en Wibaut, en Domela. Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond. Het was een kleine man, met rossig haar dat hem al snel in de steek liet.

Hij trouwde met een dienstmeisje, Jannetje Kastelijn, een weeskind afkomstig uit Apeldoorn. Haar dienstje was op de Nassaukade, bij dokter Spanjer die goed voor haar was. Hij kon onbedaarlijk lachen om tante ­Anna, die in het duister van de alkoof bij een kaars de kaart legde. Maar zelf was hij een strijker die met golvende bewegingen pijn wegstreek.

Je gaat de Albert Heijn binnen en het lijkt voorjaar en als je weer buiten komt, is het noodweer. In de ­beschutting van een portiek in de Ferdinand Bol stond een oude ­Indische vrouw. Het waait zo en ik ben bang dat ik val. Dus ik ben heel voorzichtig. Tot de stoplichten alstublieft. Ze ging bij de Bestseller even wat sigaretten kopen. En dan neemt ze straks een lift terug, bedacht ik nadat ik afscheid van haar had genomen.

Bij de brievenbus bij ons in de straat kwam ik de mevrouw van de postzegelwinkel tegen. Ze vertelde me dat ze met Theo van de Kaas een wedstrijd deed wie vaker in Klein geluk voorkwam. Goede kansen lachen je toe. Ook in de toekomst. Waar ik ook woonde, de middenstand heeft zich altijd in mijn warme belangstelling mogen verheugen. Vooral wisselingen van de wacht interesseerden mij zeer.

De jaren in de ­Bosboom Toussaintstraat waren wat dat betreft een goudmijn, want straat en buurt ondergingen in die tijd grote veranderingen, wat je uiteraard terugzag in het winkelbestand. Melkboer en bakker verdwenen uit de straat, abonnementsrestaurant Alco moest eraan geloven, en zelfs Piet en Truus van de sigarenwinkel, waar het zo uitbundig naar stamppot andijvie met een slavink ruiken kon, sloten uiteindelijk de deuren. Maar er kwam van alles voor in de plaats. Mijn favoriete nieuwkomer zat vlak om de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat.

Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek. Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden. Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen.

Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus vanuit het hotel geschreven heeft: I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days.

From yours truly, Louis Satchmo Armstrong. We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan.

Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen. Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water. Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen. Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad.

Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond. Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen.

Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen. Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden. De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken.

Takel het raam omhoog. Vergrendel het raam met de ketting. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen. Wij ook toen ons moment gekomen was. Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen. Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd.

Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen. Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje. Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben. En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde.

En die ging in de pils. Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken. Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje. Ook lekker, meen ik me te herinneren. Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever.

Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen. Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk. De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij.

Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde. Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven. In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek. Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan.

Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had. Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd. Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg.

Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben.

Kwam ze thuis en vroeg ze: Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten. Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens.

Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken. Een stuitend tafereel, vond ik. Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens. Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op. Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop.

Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken. De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat.

Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën. Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten. Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb.

Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link.

Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving. Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen.

Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht. Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers. Want hij had nogal eens last van wanbetalers. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman.

Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van.

Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang.

Meisje zoekt sex doggystyle neuken

Schuin aan de overkant lag café Bos er verleidelijk bij, maar wij zochten de ­oevers van de Schinkel op, waar de kade richting Zeilstraat drastisch versperd bleek door een vrachtwagen die probeerde een vuilcontainer op zijn rug te nemen.

Een kwartier later zaten we bij Gent aan de Schinkel, waar moeder en zoon even later ook binnenkwamen en we elkaar begroetten als buurtgenoten. Omdat ik een vriend die een enorme klus voor me had geklaard als beloning een fles goedkope wijn in het vooruitzicht had gesteld, begaf ik mij naar de Beethovenstraat. De Beethovenstraat is een bruisende winkelstraat met op iedere hoek een koffietent waar de barista iedere ochtend eigenhandig de glutenvrije koe heeft gemolken. Toen ik de straat inliep, zag ik al van verre de altijd vrolijk stemmende wolken geel van de mimosa voor de deur van de bloemenwinkel.

In het voorbijgaan rook ik hun geur die me even terugbracht naar een dorp aan de voet van de Pyreneeën, een mensenleven geleden. Terwijl het vriendelijke meisje de fles in een feestelijk zakje liet glijden, bewonderde ik de narcissen die op de toonbank stonden. Ik ben niet zo goed in bloemen. Ik nam haar mee naar buiten en wees naar de gele lentewolken een paar winkels verderop.

Nog steeds kan ik er niet over uit dat ik als jongen uit de Bos en Lommer de Lippijnstraat heb gemist. Onze kerstbomenopslag lag daar, klaar om verbrand te worden, en werd geroofd. We vochten natuurlijk terug, maar niet met latten met spijkers erdoor zoals wel beweerd wordt. Voor de visboer haalden we oude kranten op waar de vis in verpakt werd. Belden we aan en riepen: Heeft u nog oude kranten voor de blinden? Als ik maar geen toverheksen zie!

Het lijken een soort toverspreuken. Oude kranten voor de blinden was een leugentje, de kip ­zonder eieren moest de politie op afstand houden, terwijl de kreet de juut juist lokte en over de donkere bosjes uit het spel waaraan ook meisjes meededen, heb ik zo mijn vermoedens, maar het blijft gissen.

We liepen onder de overkapping achter het Centraal Station en waren op weg naar het pontje naar Buiksloot toen ik mijn naam hoorde roepen. Op het moment dat hij zijn naam noemde, zag ik in hem zijn vader verschijnen. Ik kende hem al als kleine jongen, junior meen ik, maar inmiddels had ik hem een tijd niet gezien.

Onlangs las ik wel een polemisch stuk van zijn hand waarin hij propageerde na het kakken water te gebruiken in plaats van een papiertje.

Want hoe ging het? Waar de ­familie Luijters al te lachen zat. Deze keer lachte Heere mee. Heere zei dat hij voor Schuttevaer werkte. Gewapend met zijn camera trok hij de haven in om schippers van binnenvaartschepen te interviewen. Laatst was hij nog op receptie van de havenmeester geweest, waar hij een Parool-collega stevig van de hapjes had zien eten.

Maar ik heb nog geen antwoord mogen ontvangen. Mocht u een dezer dagen het Stadsarchief bezoeken om de tentoonstelling Rapenburgerstraat te bekijken, sta dan even stil bij het adres Rapenburgerstraat 26 huis, waar het gezin Benjamin Blaaser woonde. Begin zaten de eerste vijf kinderen op de Jonas Daniël Meijerschool, de latere 2e Joodse School in de Batavierstraat.

Van die school is als door een wonder een absentieschriftje bewaard gebleven, waarin de kinderen Blaaser regelmatig een plaatsje kregen. Ook zijn er brieven van hun moeder waarin zij de reden van hun absentie toelicht. Zo schrijft Maria Blaaser op 2 mei Zo gauw zij weer beter is komt zij weer naar school, maar woensdag waren zij ook niet naar school, dat kwam, ik heb een klok maar die deugt niet erg of hij staat stil of hij loopt hard.

Ik hoop dat u het mij niet kwalijk zult nemen, maar het zal niet meer gebeuren. Ik heb een klok of die staat stil of hij loopt. Nu vanmorgen stond de klok stil, zo doende was het te laat voor hun. Moeder wist niet hoe laat het was.

Maria en hun acht kinderen werden op 25 januari vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd waar ze op 28 januari werden vermoord. Amsterdam is altijd mooi, maar Amsterdam in de winter is nog mooier. Het zal door het lage licht komen, dat het water in de grachten in zilver verandert en de gevels glanzen laat. Er kwam ons een grote man tegemoet met een grote gele pinopet op zijn kop, als was het een pannenkoek.

Bij Jordino stond een reusachtige paashaas in de etalage met allemaal kleine kuikentjes aan zijn hazenpootjes. In het verlengde van de stegen glinsterden de grachten. Bij Centrum op de hoek met de Prinsengracht namen we een haring. Op het Singel dacht ik terug aan de dag dat er vlammen sloegen uit de koepel van de Lutherse kerk. Mijn vader heeft me eens verteld dat de koepel groen was door oxidatie van het koper.

De koepel zal vanzelf weer groen worden, maar ik zal het niet meer meemaken. Tenslotte belandden we op het terras van de II Prinsen op de hoek van de Prinsenstraat en de Prinsengracht.

Het was ijskoud en de zon ving en verguldde de wijzers van de klok van de Noorderkerk die 5 voor half 5 aanwees. Er fietste een jongen voorbij met een Chinees meisje achterop dat een wollig wit hondje met uitgestrekte pootjes voor haar buik hield. Dat kregen we er gratis bij, op die koude middag in het mooie Amsterdam. Vanaf een zekere leeftijd zouden wij geen nieuwe vrienden kunnen ­maken, maar wie op ­zekere leeftijd nieuwe vrienden maakt, weet dat het niet waar is.

Wat hij ook weet, is dat hij zijn ­oude vriendschappen koestert met een vasthoudendheid die doet denken aan het achteloze ­gemak waarmee hij vroeger vriendschappen verbrak.

Op een terras aan het Prins Bernhardplein zat ik tegen Bernard Hammelburg op te scheppen dat ik een vriend had met wie ik nog in de derde klas van de lagere school had gezeten.

Niet dat ik daar veel mee opschiet, want de vriend in kwestie heeft een geheugen waarin wel plaats is voor een miljoen schaakpartijen, maar niet voor derde klassen van de lagere school. Maar toch, de gedachte alleen al dat we een verleden delen, stelt me op de een of andere manier gerust.

Hij zou zich de toneelstukjes kunnen herinneren die we in de klas opvoerden, hij herinnert ze zich niet, maar het zou kunnen, en dat is prettig. In een klap kwam het hele continent van heden en verleden in beeld, breuklijnen en al. Wie lid was van de Joodse jeugdbeweging, padvinderij of AJC heeft vrienden van heel vroeger, kan ze hebben in ieder geval. Hetzelfde geldt voor iemand die uit een buurt komt waar weinig werd verhuisd, maar wie van Leeuwarden naar Amersfoort naar Amsterdam ging, is iedereen kwijt.

Ik ging van West naar Zuid en liet mijn westvrienden achter, behalve die ene dus die trouwens in Zuid woont en pal om de hoek. Al een jaar of 25 hoor ik mijn geliefde zeggen dat ze wel eens een patatje zou lusten van Wil Graanstra op de Westermarkt, maar om de een of andere reden komt het er niet van.

Vanmorgen bijvoorbeeld was de patatrij langer dan de rij voor het Anne Frankhuis, maar na een mooie stadswandeling door een ijzig Amsterdam kreeg ze een herkansing. De man bij wie we bestelden, droeg een bril met een rood montuur en een uitzinnige ijsmuts.

Het was dus Graanstra zelf die hier friet stond te bakken. Er meldde zich een nieuwe klant, waarop bleek dat ik een beetje in de weg stond. De juf was niet ouder dan zesentwintig schatte ik. Het mocht dus haast een wonder heten dat zij nog wist wat een brief was en dat je hem om hem ergens heen te sturen in een brievenbus moest doen. Zou ze weten dat er een postzegel op moet, bedacht ik, zorgelijk als ik nu eenmaal ben.

En kregen de kinderen wel een cijfer? Lang geleden las ik over een meisje dat een 8 voor sperziebonen had. Ook heb ik iemand gekend die op de Joodse school een onvoldoende had voor zegeningen, en in een interview dat ik kort geleden las, zei de 9-jarige Nena Verdonk: Wanneer houden kinderen op moet huppelen? Op het moment, denk ik, dat ik ophoud me zorgen over hen te maken. Moeders die hun fiets op de standaard zetten terwijl hun kind in een mandje achterop zit, kinderen die achter hun bal aan dreigen te rennen als die van de stoep afrolt, moeders die op hun telefoon kijken terwijl hun kinderen in een pierenbadje spelen, overal zie ik gevaar.

In de tram had het meisje zich aan de greep van haar moeder ontworsteld en drong langs mij naar de uitgang. Waar de man die naar buiten stapte zojuist het klaphekje had losgelaten.

Ik wist er nog net een hand tussen te krijgen en zag haar vrolijk weg huppelen, nieuwe gevaren tegemoet. Aan de Distelweg, vlak voor je bij de Aster­dwarsweg komt, kun je achter een hek de Food Coop Noord zien liggen. Ik zag kleine zelfgebouwde huisjes, waarvan een met een boot op het dak en een ander met een tafel voor de deur waarop een grote ­globe stond. De moslima van dienst die zei dat ze de sleutel ging halen, bleef een hele tijd weg en toen ze kast wilde ontsluiten, bleek hij al open, zodat we allebei een lachbui kregen.

Bij de betaalbalie legde ik mijn euro neer. Bij café De Pont gingen we aan het raam zitten om over het IJ te kijken en naar de schepen die met grote snelheid langzaam voorbijvoeren. Als je bij De Pont een plasje wil doen, moet je een heel steile trap op die je daarna ook weer af moet. Omdat we wilden zien hoe het Van der Pekplein er tegenwoordig bij ligt, namen we het pontje naar de Buiksloterweg.

Het was een mooie frisse dag en het IJ strekte zich aan beide kanten uit zover je kijken kon. De Zuiderzee ligt achter een dijk en daardoor is het licht veranderd, maar op het IJ ligt het er volgens mij nog net zo bij als in de zeventiende eeuw.

Vanaf de pont zag ik zelfs de drie masten van een driemaster. Dichterbij gekomen zag ik een vrouw bezig de was op te hangen. Een wasje in de wind is altijd al een feest, maar als het wasje ook nog op een zeilschip wappert, raakt het aan geluk, dat slechts wordt overtroffen door een wasje op een schip dat hoog aan de wind het water klieft. Het Van der Pekplein had een verfje gekregen, maar leek verder sprekend op het Van der Pekplein van weleer, net als de Van der Pekstraat trouwens.

En vindt zijn bekroning in de Wasknijper, een brug van formaat over het Buiksloterkanaal. Een ­geheimzinnige tekst die dromen doet en me onweerstaanbaar denken deed aan de tekst die ik eens zag op een groot gebouw in Berlijn.

Waar we liepen lag eens Asterdorp, in gebouwd als schoremstad, tijdens de bezetting ­verworden tot Joods getto, inmiddels spoorloos verdwenen. In de tram stond een oude vrouw met een rollator.

Toen ik uitgestapt was, zag ik dat er vlak voor de tram een vel bladmuziek tussen de rails lag. Oprapen, maar pas na oogcontact met de bestuurder, want o wee als de tram ineens ­begint te rijden.

De oude vrouw met de rollator was ook uitgestapt, zag ik, maar zonder rollator en voordat ik iets had kunnen ondernemen, was ze al in de volgende tram gestapt die knarsend het stoplicht haalde en in razende vaart over de brug verdween. Duivelseiland lag gevangen in een volle regenboog met al zijn kleuren. Duivelseiland, waar de jonge mensen wonen, ligt aan de andere kant van de straat.

Frikkendorp, voor de oudjes, aan de onze. Maar Moord en Brandbuurt was me tot voor kort ontgaan. Ze zullen het ernaar gemaakt hebben in de Spaarndammerbuurt, dat voorbeeld van verheffende architectuur, met zijn ramen die niet helemaal open kunnen om over de vensterbank hangend kletsen te voorkomen, zijn aan de vloer vastgeschroefde tafels en zijn schuurtjes met moestuingereedschap. Niets van dat al in de Indische Buurt, waar toch ook arbeiders woonden.

Er staat daar een school die genoemd is naar Jan Pietersz. Dat kan zo niet langer. Behalve in de Indische Buurt dan. Met u hoop ik dat die oude mevrouw haar rollator teruggevonden heeft. En de gevonden muziek bleek fijne marsmuziek, soms weet je niet waaraan je het verdient. Wie een boek schrijft, zal het ook corrigeren. Corrigeren is als spinazie wassen, er blijft zand uitkomen, en zo volgt na iedere correctieronde een nieuwe correctieronde, tot het boek naar de drukker moet en het wassen, zand of geen zand stopt.

In mijn boek sterft de Rapenburgerstraat met zijn bewoners die huis na huis, trap na trap uit hun woningen worden gehaald om via Centraal Station en Westerbork naar Polen worden gedeporteerd om daar vermoord te worden.

Toen iedereen weer dood was, borg ik het manuscript op en maakte me klaar om de deur uit te gaan voor boodschappen. De herinnering is het brood der doden, dacht ik terwijl ik de deur achter me dichttrok.

Vlak voor de Ceintuurbrug, zag ik, liep een smal in het gras uitgesleten pad in de richting van het benzinestation, hoe was het mogelijk dat ik het nooit eerder had gezien, het pad meen ik.

In het café stonden de vaste klanten iets te vieren. Mij was het iets te gezellig. Nadat ik het ­rumoer had binnen gesloten keek ik de lange straat af die aan beide zijden tot het water reikt. Tijd voor de maan om boven de daken uit te komen.

Een paar jongens uit de ­Esmoreitstraat, inmiddels allemaal oude ­mannen, zijn bezig een straatreünie te organiseren. Ze stuurden me een lijst met namen die ze hadden achterhaald. Zo kwam het dat ik terugdacht aan het eerste en ­tevens laatste kinderfeestje dat mijn moeder voor mijn verjaardag heeft gegeven.

Meteen aan het begin van het feestje was het misgegaan, want buurjongen Bartje wilde zijn jas niet uittrekken, terwijl ik juist wilde dat hij dat wel deed. Waar een negenjarige zich al niet over opwindt. We liepen door de Haarlemmer­straat of op de Haarlemmerdijk, toen ik het verhaal aan mijn geliefde vertelde. Ze was natuurlijk bang dat ie gestolen werd. Laatst kwamen een vriend en ik via associatie op Franz Reichelt, de kleermaker die op 4 februari vanaf de Eiffeltoren weg zou vliegen om vervolgens als een baksteen naar beneden te vallen.

Er schijnt een parachuteclub naar hem te zijn genoemd, maar dat terzijde. Waar het om gaat, is dat mijn vriend een verhaal vertelde dat ons op Reichelt bracht en dat we allebei vergeten zijn welk verhaal dat was. Het verhaal dat weer aan dat verhaal vooraf ging, herinner ik me wel. Dat ging over Bulletje en Bonestaak die op Manhattan wachten op de in rubberbanden verpakte man die na dertien dagen, zeven uur en tweeëntwintig minuten weer contact zal maken met de aarde om daarna nog hoger de ruimte in geslingerd te worden.

Het bruggetje dat de overzijden van de twee verhalen tot buren maakte, lijkt voor altijd kwijt. De krantenwinkel naast de kaas bleek gesloten. Er was geen brood in huis, maar door tijdgebrek moest er gekozen worden, tussen brood van een eind verderop of een krant van een eind terug. Brood of krant, krant of brood. Het werd de krant. Bij de zebra op weg naar Martyrium meende ik aan de overkant een dame te ontwaren met net zulk grijs haar als ik, met dat verschil dat haar haar vroeger platina was geweest en het mijne melkboerenhonden.

Terwijl ik me iets voorover boog en een oog sloot om beter te kunnen zien, zag ik dat zij hetzelfde deed. Het ging haar goed, maar oud worden, vond ze niet echt een feest. Even later betrad ik Martyrium, waar een grote Lucebertposter in de etalage hing. En nu bleek hij plotseling de beste dichter van Nederland te zijn geweest. Ik moest er aan denken toen ik bij de kapper binnenstapte waar Alies uit Akersloot die tijdens het knippen vaak zo gezellig met mij praat al op me stond te wachten.

Truitje, klinkt goed, vindt u niet? Bij twee nichtjes die naar België waren verhuisd en op school zoveel plezier hadden omdat ze er op de poep ­zaten. Maar de Belgen zeiden dat het een aardappel was. Als je naar het frietkot gaat en je vraagt om een patat, dan krijg je een aardappel.

Hebt u eigenlijk kleinkinderen? We gaan straks naar haar toe. Mag u haar op straat nog een knuffel geven? Nadat ik mijn kleindochter begroet had, streek ze met haar hand over mijn gemillimeterde hoofd en zei: Wie tramt zit met zijn neus in de tramrails, wie loopt of fietst is zo vrij als een vogeltje.

Ook als de bestemming vast ligt zijn er duizend ­manieren om er te komen. Neem ik de toeristische route? Zelfs als je de kortste weg neemt, zijn er vele mogelijkheden. Als een straat opgebroken is of ­afgesloten wegens weet ik veel is er altijd een sluipweg, meestal vlak langs de huizen.

Er staan borden die met boetes dreigen en mannen met hesjes die driftig gebaren, maar het is geen Amsterdammer die zich daar wat van aantrekt. Bij de werkzaamheden rond het Weteringcircuit hebben ze het daarom anders aangepakt. Wat er gebeurt als je naar links gaat, heb ik nog niet uitgeprobeerd, maar ga je rechtsaf dan zit je gevangen tussen twee ijzeren tangen en heb je maar te gaan zoals de pijlen wijzen.

Zo kwam ik terecht in de Den Texstraat waar ik heel lang niet geweest was en meteen een hoogst interessant poortje zag, waarvoor ik helaas geen tijd had. Via de ­Nicolaas Witsenstraat hervond ik de vrijheid. Ik stak over richting Reguliersgracht en zo schuin tegenover de Alhambra moest ik denken aan de nachten dat hier nog druk getippeld werd.

Ik stond hier toen eens met een dame die daar geen weet van had. We wilden een taxi en toen ze een auto zag naderen, ontsnapte ze naar de trottoirband en stak haar hand op, waarna de auto prompt tot stilstand kwam en het portier openzwaaide. Ze boog voorover voor overleg en riep toen: Wie bij een Chinees eet, heeft het vaak een tijdje over eten bij de Chinees.

We kwamen uit de Openbare Bibliotheek aan de Oosterdokskade en we wilden ergens een hapje gaan eten. Maar waar, was de vraag. Totdat iemand opmerkte dat er vlak voor onze neus een enorm Chinees restaurant in het water dreef. Gauw naar de loopplank dus en aan boord. Zonder dat we er om hadden gezeurd, werden we naar de mooiste tafel van het restaurant geleid, uitzicht op het water en de bootjes en op de huizen en de torens die ­boven de huizen uitstaken aan de overkant.

Intussen waren de drankjes gebracht en was het verplichte uitwisselen van herinneringen aan Chinese restaurants begonnen. Eddy deed nostalgisch over tante Mia, een bamitent op de Oudezijds waar in de jaren vijftig heel artistiek Amsterdam goedkoop kwam eten.

We bestelden, bestelden er bier bij en thee en mijn geliefde zei dat zij haar biertje pas wou als het eten op tafel stond. Toen het eten er stond, kwam de jongeman die ons vlekkeloos bediende, vragen hoe het ook alweer zat met dat biertje.

Toen we uitgegrinnikt waren, stond het op tafel. Op weg naar de uitgang van het zeepaleis bewonderden we de enorme uit hout gegutste adelaar die met gespreide vleugels in de hal staat. In de lege winkelruimte in de Roelof Hartstraat stond een ronde tafel met daaromheen negen stoelen.

Op de tafel lag een schedel, van een paard zo te zien, en er stond een beeld van een grote witte hond met zwarte vlekken. Op een van de negen stoelen zat een man op zijn telefoon te kijken.

Bij de Ceintuurbrug lag een ­gestroomlijnd jacht afgemeerd, vernoemd naar een society­verslaggever uit lang vervlogen tijden. Ik wist het niet. Nadat we bij Marqt van die lekkere viskoekjes hadden gekocht, zochten we Sarphati op voor een drankje. Het meisje dat ons een borrel bracht, hield er een in elke hand en liep stapje voor stapje om niet te morsen.

Oude man valt in herhalingen. Een paar dagen later schonk ik in de keuken een borrel in en liep er voorzichtig mee naar de huiskamer. Nadat ik de glaasjes op tafel had gezet, dacht ik, hé, ik had ook aan tafel kunnen inschenken.

Niks te zien en er gebeurt nooit wat. Sinds een tijdje zijn ze bezig het voormalige politiebureau te verbouwen tot appartementen.

Ik volg het met argusogen. In de vroege morgen van zaterdag 5 juni liep ik met Frans de Bruyn over het landje achter de Glazen School. We hadden een winkelruit ingegooid en we konden maar beter bekennen, want anders gingen we naar het tuchthuis. Een paar weken later, op woensdag 30 juni, stond ik met mijn moeder voor het Hoofdbureau van Politie, waar ik om twee uur precies verhoord zou worden.

Maar om twee uur was ook de zonsverduistering en die ging voor. Het werd stil op straat. Schaduwen verdwenen, de gebouwen stonden in het bleke licht alsof het uit karton geknipte decorstukken waren.

In januari ging Jan Donkers, en o wat zal ie het koud hebben gehad, met een fles jenever naar Gerard Kornelis van het Reve om hem te vragen of hij beschermheer wilde worden van het jongemannengezelschap Baart. Dat wilde Gerard wel. Met een knalfuif, filmpjes waarop je kon zien hoe jong we vroeger waren, toespraken, een etentje en een boek, Het dispuut Baart, hoe 16 Amsterdamse jongens wel even de media zouden veroveren.

Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging.

Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is. Dokter Frits kwam, keek en zei: Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen.

Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd. Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed. Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk.

Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam. Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde. Ik wilde wel dat het in de Spaanse Brabanderstraat was, maar het was in de Grianestraat dat ik samen onder onze paraplu gebakken vis rook.

Echt verbaasd was ik niet, want om de hoek op de Bos en Lommerweg, wist ik, lag de vishandel van de Gebroeders Molenaar, geen kar, maar ook geen winkel, iets er tussenin. Molenaar is een visboer zoals visboeren horen te zijn.

Alle vis die een mens zich wensen kan, voortreffelijk uitgestald, leuk personeel en gezellige klanten, voornamelijk van Marokkaanse ­afkomst. Ik bestelde een harinkje en terwijl ik het me smaken liet, volgde ik het gesprek tussen een meisje van de vis en Marokkaanse die even niet wist hoe de vis die ze ­begeerde ook alweer heette. De dorade en de zonnevis hadden geen moeilijkheden opgeleverd maar nu zat ze even vast.

Ten slotte wees ze op mijn haring en zei: Ik hoopte dat ze hem ter plekke soldaat zou maken, met uitjes en een stukkie zuur, maar ze liet hem inpakken, ook goed. Even later staken we over naar de drukke kant van de Bos en Lommerweg, waar het wemelt van de patisserieën en de theesalons en waar door dames met kinderwagens geflaneerd wordt terwijl hun kleuters groepsgewijs aan uitzinnige lollies likken. De Bos en Lommerweg is anders dan in mijn kinderjaren, maar ik voelde me weer helemaal thuis.

Binnen wisten we dat nog niet en vroegen we ons af of er nog mensen waren die wisten wat dat was, een binnenkomertje. De Bos en Lommerweg is als thuiskomen. Hier kom ik vandaan, hier ken ik ieder huis en ­iedere steen, iedere hoek en ieder poortje.

Overal weet ik precies waar ik ben en als ik naar links ga of naar rechts draait de hele plattegrond met me mee. Maar ik was nog maar net voorbij pizzeria ­Michel Angelo of ik zag een paadje dat er niet hoorde te zijn maar er toch was.

Het liep vlak langs het oorlogsmonument in de richting van de Hertspieghelweg. Aan beide zijden van het pad lag een grasveld vol paarse krokussen. Ik liep het pad op en na paar stappen zag ik tot mijn niet geringe verbazing aan mijn rechterhand een straatje dat ik nooit eerder had opgemerkt. Aan de ene kant van het straatje keek je op de achterkant van de huizen aan de Bos en Lommerweg, aan de andere kant lagen enigszins verwaarloosd ogende loodsen waarin ­garages zaten en stapels autobanden lagen opgetast.

Het straatje, de Lippijnstraat, leek dood te ­lopen op de achterkant van de ­Admiraal de Ruijterweg die tevens de achterkant was van Indonesisch restaurant Betawi. Maar vlak voor het doodliep, was er een opslagterrein van Stadsdeel West. Door de gleuf van de brievenbus zag ik pallets met stenen en dakpannen. Langs de muur van het terrein liep een pad dat naar een poortje leidde dat toegang gaf tot de Hertspieghelweg. Om te zeggen dat mijn wereld instortte, nee, maar dat ik als jongen een geweldige straat als de Lippijnstraat geheel gemist heb, deed pijn.

Wat hadden we in de achtertuinen en tussen de loodsen niet voor rotzooi kunnen uithalen. Met een afstand van 65 jaar zag ik ons joelend door het poortje rennen. De jonge mensen die ik leerde kennen toen ze nog jong waren, kende ik meestal via onze dochter. Maar Menno Wigman kenden wij onafhankelijk van elkaar, ieder op onze eigen manier. Dochter was punk en bij punk hoorde punkband Human Alert.

De haardracht, de manier van ­opmaken en de kleding van de jeugdige punkies uit mijn omgeving kon ik zeer waarderen, maar met de kolereherrie die punkgroepen produceerden had ik niks. Human Alert heb ik nooit zien spelen. In diezelfde tijd schreef ik in deze krant veel over Franse literatuur, over dichters uit de negentiende eeuw in het bijzonder. Toen wij elkaar kort daarna ontmoetten, vertelde de jonge dichter me dat hij de drummer was van Human Alert en een vriend van mijn dochter.

Zoiets schept een band. In de jaren die volgden is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen. Hij maakte naam als dichter, maar bleef dezelfde man, schuw maar heel uitgesproken, nooit gelukkig en altijd, leek me, op de rand van de armoede. De laatste keer dat we elkaar spraken, was in de Hij was op weg naar de zolderkamer op de Churchilllaan die hij had gehuurd omdat hij daar beter werken kon. Het ging slecht met hem. Een hartkwaal, bijna dood geweest.

Maar hij schreef, en daar ging het toch maar om. Een tijdje later, lees ik in mijn dagboek, stuurde hij me een lange brief. In de mail, dus die brief is weg, want op een dag was al mijn mail verdwenen.

Maar de foto van de jonge Human Alert drummer op zijn boze zwarte kistjes is er nog. Net als zijn poezie. De kennissen bij wie ik op bezoek ging, bleken in een dependance van het Rijksmuseum te wonen. Dezelfde architect, dezelfde baksteen, hetzelfde glas in lood en een monumentale trap die een monument is bovendien.

Met ­uitzicht op het Vondelpark, dat er roerloos bij lag, kregen we het over lammetjespap. Dat had ze als kind wel gedaan, maar lekker had ze het niet gevonden. Ik hield van havermout, maar lammetjespap vond ik lekkerder.

De gladgestreken pap als een de volmaakte cirkel op je bord, het klontje boter precies in het midden. Als er maar geen klontjes in zaten. En zo was de lammetjespap van meneer Wodehouse jaar na verschijnen opnieuw aanleiding tot veel commentaar. Toen ik de monumentale trap was afgedaald en het pand wilde verlaten, zat er een eekhoorn voor de deur die ­nadat ik hem had binnengelaten voor de tussendeur ging zitten ­miauwen.

Nadat ik afscheid had ­genomen van mijn ­afspraak fietste ik de Rapenburgerstraat uit, stak ik de Weesperstraat over, dook ik de Nieuwe Amstelstraat in en draaide een paar tellen later aan de andere kant van de Blauwbrug de Amstel op. Boven de ­Hermitage hing de maan. Vol en groot, wit met een zweem van blauw. Over de bruggen ging ik van ­Hermitage tot Carré en de maan ging met mij mee. De maan hing boven de voetbalvelden van VVA en het was precies zoals mijn oma zei, de maan liep met ons mee.

Ik zal een jaar of vijf geweest zijn. De sluisdeuren van de Amstelsluizen stonden open zag ik en hoezeer het mij ook speet, bij de Hogesluis moest ik rechtsaf. Pas toen ik langs het Sarphatipark fietste zag ik de maan weer, want ik heb ogen in mijn rug. In het verlengde van de Eerste Jan Steenstraat stonden naast elkaar zes mensen de maan te fotograferen.

Wonderlijk, want geen mens lijkt ooit naar de maan te kijken. Ook nu niet, want het was een zwerm spreeuwen in een boom die gefotografeerd werd. Toen de zwerm opvloog , de maan bijkans verduisterend, stoven de zwermkijkers uiteen.

En zo gebeurde het dat er in de Eerste Jan Steenstraat drie mensen naast elkaar een blauwe maan stonden te fotograferen. In een steeds grijzer wordend verleden had ik een betrekking bij een grote uitgeverij die kantoor hield in een buitenwijk van Haarlem. Als het ­lunchuur was aangebroken zag je daar een heleboel mannen en vrouwen die zich naar hun auto haastten om in nog grotere haast weg te rijden.

Nader onderzoek leerde dat ze bij een aan de weg naar Alkmaar gelegen motel moesten zijn. Wat zijn daar gingen doen, is mij onbekend, maar eenmaal terug op het werk oogden ze vaak wat verfomfaaid. De stelletjes die ik in diezelfde tijd in het Miranda Paviljoen aan de Amstel zag, oogden in het geheel niet verfomfaaid, integendeel, ze oogden prachtig.

Hij was meestal vijfenveertig en strak in het pak, zij nog net geen achtendertig, zorgvuldig opgemaakt, met oorbellen en hoge hakken. Ze dronken witte wijn en zuchtten. Als ze vertrokken, liepen ze ieder naar hun eigen auto. Minder bekend is dat jonge mensen ook zulke hangouts hebben.

Voor gestolen kussen treffen ­Marokkaanse geliefden elkaar graag in het plantsoentje van de Harmoniehof bij mij om de hoek, maar een nog mooiere plek was het charmante snackhuisje aan het begin van de Vossiusstraat, vlak bij de Van Baerle. De jongens hier waren zelden ouder dan 19, terwijl de meisjes niet verder reikten dan 16, maar alles in hun gedrag wees op overspel. De schichtige blikken, de vaak wanhopige zuchten, het schimmige van hun komen en gaan.

Het snackhuisje is afgebroken, maar de jongens en meisjes die er kwamen, zullen een andere plek hebben gevonden. Niemand die mooier over straten schrijft dan ­Patrick Modiano. Zijn roman De horizon uit was me ontgaan, maar kwam met enige vertraging toch op mijn pad, zodat ik het weer eens kon controleren, en ja hoor: Op weg van hier naar daar kruis je de Rapenburgerstraat wel eens en een enkele keer volg ik hem een stukje, maar de straat als geheel wist me lang te ontsnappen.

Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik ontdekte dat het einde van de straat tegenover de Harmoniehof ligt, van elkaar gescheiden door Boerenwetering en Hobbemakade, maar toch. Aan het einde van de straat kan je het begin niet zien. Wel een hoog gebouw, waarvan de kenner aan mijn zijde beweerde dat het om het Okura ging.

Onderweg beleefden we vele avonturen. Zo kwamen we langs een Albert Heijn die in koloniale waren deed en was er een boekenkastje met Ilias en Odyssee in het Grieks. Toen kwamen we aan de rivier waar de straat zijn oorsprong vindt en konden we niet naar de Unie voor een biertje, want een café is geen rivier. Mijn grootvader was een strijker. Hij heette Cees en was kort na zijn tiende verjaardag naar Amsterdam vertrokken.

Aalsmeer met zijn zwartekousenkerk waar hij op zondag vier keer naar toe moest, was hem te machtig geworden.

Hij had zijn klompen aangetrokken en was naar Amsterdam gelopen. Of hij daar bij iemand terecht kon, of dat hij eerst als een jongen uit een roman van Dickens dagen en nachten over straat heeft gezworven, weet ik niet. Als iemand dood is, merk je pas wat je vergeten bent hem te vragen. Het waren de dagen van het opkomende socialisme. Mijn grootvader sloot zich aan. Hij hoorde Pieter Jelles spreken, en Wibaut, en Domela.

Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond. Het was een kleine man, met rossig haar dat hem al snel in de steek liet. Hij trouwde met een dienstmeisje, Jannetje Kastelijn, een weeskind afkomstig uit Apeldoorn.

Haar dienstje was op de Nassaukade, bij dokter Spanjer die goed voor haar was. Hij kon onbedaarlijk lachen om tante ­Anna, die in het duister van de alkoof bij een kaars de kaart legde. Maar zelf was hij een strijker die met golvende bewegingen pijn wegstreek. Je gaat de Albert Heijn binnen en het lijkt voorjaar en als je weer buiten komt, is het noodweer.

In de ­beschutting van een portiek in de Ferdinand Bol stond een oude ­Indische vrouw. Het waait zo en ik ben bang dat ik val. Dus ik ben heel voorzichtig. Tot de stoplichten alstublieft. Ze ging bij de Bestseller even wat sigaretten kopen.

En dan neemt ze straks een lift terug, bedacht ik nadat ik afscheid van haar had genomen. Bij de brievenbus bij ons in de straat kwam ik de mevrouw van de postzegelwinkel tegen. Ze vertelde me dat ze met Theo van de Kaas een wedstrijd deed wie vaker in Klein geluk voorkwam. Goede kansen lachen je toe. Ook in de toekomst. Waar ik ook woonde, de middenstand heeft zich altijd in mijn warme belangstelling mogen verheugen.

Vooral wisselingen van de wacht interesseerden mij zeer. De jaren in de ­Bosboom Toussaintstraat waren wat dat betreft een goudmijn, want straat en buurt ondergingen in die tijd grote veranderingen, wat je uiteraard terugzag in het winkelbestand. Melkboer en bakker verdwenen uit de straat, abonnementsrestaurant Alco moest eraan geloven, en zelfs Piet en Truus van de sigarenwinkel, waar het zo uitbundig naar stamppot andijvie met een slavink ruiken kon, sloten uiteindelijk de deuren.

Maar er kwam van alles voor in de plaats. Mijn favoriete nieuwkomer zat vlak om de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat. Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek. Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden. Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen.

Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus vanuit het hotel geschreven heeft: I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days. From yours truly, Louis Satchmo Armstrong.

We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan. Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen.

Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water. Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen.

Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad. Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond. Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen.

Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen. Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden.

De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken. Takel het raam omhoog. Vergrendel het raam met de ketting. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen.

Wij ook toen ons moment gekomen was. Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen. Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd.

Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen. Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje. Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben. En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde.

En die ging in de pils. Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken. Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje. Ook lekker, meen ik me te herinneren. Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever. Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen. Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk. De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij.

Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde. Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven. In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek.

Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan.

Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had. Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd. Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg.

Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken. Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben. Kwam ze thuis en vroeg ze: Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten. Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens. Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken.

Een stuitend tafereel, vond ik. Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens. Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op.

Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop. Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken.

De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat. Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën. Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten.

Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb. Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde.

En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link. Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving. Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen.

Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht. Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers. Want hij had nogal eens last van wanbetalers.

Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam. Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had. En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van.

Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang. Ik zat aan tafel en schreef een brief aan een vriendin die ik heb leren kennen in de zomer van De vakantieliefde van vorig jaar, voor wie ik naar Canet-Plage gekomen was, was voorbij en ik was in mijn dooie eentje naar het strand gegaan.

Nadat ik mijn handdoek in het zand had gelegd, zag ik dat er een eindje verderop onder een grote parasol drie meisjes zaten. Eentje in een blauw badpak, eentje met een zwarte strooien hoed op en een met hagelwitte tanden. Wat een leuke meisjes, dacht ik, maar zij zaten daar en ik stond hier en hoe ik hier in daar moest veranderen, wist ik niet. Daarom liep ik naar zee en dook in de golven. Toen ik weer opgedoken was en naar mijn handdoek liep, was hij verdwenen.

Het was het meisje in het blauwe badpak dat met mijn handdoek naar mij zwaaide als met een zakdoek naar een vertrekkend schip. In mijn jaarlijkse brief aan haar haalde ik herinneringen op aan haar vader, die Gauloises rookte in maispapier, aan de pingpongtafel in de tuin voor hun huis aan zee, aan Capri, de hond en aan de ­Canigou natuurlijk, die altijd toekeek.

Toen de brief in zijn enveloppe zat en ik die wilde adresseren, kon ik het adres niet vinden. Maar plotseling schoot me de agenda uit te binnen die ik altijd bewaard heb, en daar stond het, in mijn jongenshandschrift, Hortensiastraat De Leidsestraat was vroeger een sjieke winkelstraat met deftige herenmodezaken, boekenwinkels, theesalons, een tapijtenhandel, een platenzaak waar je op maandagmorgen moeders in de rij kon zien staan om voor hun zonen een kaartje te kopen voor het nachtconcert van Gerry Mulligan, juweliers, diverse schoenenwinkels, restaurant Bali en twee delicatessenwinkels.

Als ik op zaterdagmiddag door de Leidsestraat liep, dacht ik altijd dat er van alles ging gebeuren, maar er gebeurde nooit niks. Bij de sigarenwinkel vlak voorbij het KLM gebouw kocht ik een pakje sigaretten.

Als je ja zei, sneed hij met een pennenmesje het pakje open en tikte ­tegen de onderkant tot de sigaret naar buiten kwam, die ik tussen mijn lippen nam om me vervolgens voorover te buigen naar het gasvlammetje dat brandde op de toonbank. Als ik met de tram door de Leidsestraat rijd, kijk ik naar het verleden, maar ik zie het niet, behalve het korte ogenblik dat ik in de etalage van Eichholtz het Drostemannetje zie staan.

Toen mijn moeder haar blikjes Delmonte nog bij Eichholtz kocht, reden we een keer over een bergpas in Zwitserland, de Gotthard of de Brenner of zoiets. Ik lachte en ze lachten terug, ik zwaaide en zij zwaaiden terug.

Toen ik door de draaideur naar binnenging, bedacht ik dat ik het pasje dat toegang geeft tot de studieruimte vergeten was. Ik meldde me dus bij de balie. Alles was spannend dat jaar en alles mocht, samen met een vriendje schrift na schrift vol tekenen met eitjes die uit een paaseierenfabriek kwamen bijvoorbeeld, of een boek van huis meebrengen en daar tijdens de leesles in lezen.

Wat niet mocht, was opscheppen. Ik had een vriendje waar ze thuis een poes hadden die op de wc ging. Dat vertelde hij een keer, maar mevrouw Besier was het daar niet mee eens, dat vond ze een vorm van opschepperij. Ik denk daar nog vaak aan. Ze was al dik in de tachtig toen ik haar een keer aan de telefoon kreeg.

Ik weet wat ze ervan had gevonden, dat ik dit nu opgeschreven heb. Zoals ik af en toe doe, zat ik De reis om de wereld in 80 dagen te lezen. Zoals altijd ging Phileas Fogg zijn beroemde weddenschap aan, waarna hij zich ­samen met zijn kersverse bediende Passepartout naar Charing-Cross Station spoedt.

Zoals altijd geeft Fogg de twintig guineas die hij zojuist aan de whisttafel heeft gewonnen aan een behoeftige waarop hij samen met Passepartout naar de wachtkamer gaat. En daar lezen we: Ik voel wel eens heimwee naar het gasvlammetje op de toonbank van de sigarenwinkel of naar het geluid van een tennisbal geslagen door een houten racket, maar bovenal heb ik heimwee naar de steile wand, naar het geluid van de motoren die je op de kermis al van verre hoorde, naar de mannen op de motoren die eerst een voorzichtig rondje reden en dan, als ze iets harder gingen, hun motor tegen de steile wand op stuurden, steeds sneller en steeds hoger, tot ze vlak onder de rand ­reden en je ze zo zou kunnen aanraken.

Met losse handen reden ze hun rondjes, achterstevoren op hun motoren gezeten, met gevaar voor eigen leven, onverzekerd bovendien. Want dat werd er aan het slot van de voorstelling altijd bij ­gezegd, waarna het muntjes ­regende in de piste.

Op ons viermaandelijkse kopje thee, in Wildschut deze keer, dronken we koffie verkeerd en cappuccino, een en ander ­gebracht door een vermakelijk meisje dat ons toen we heel erg te lachen zaten, kwam vertellen dat ze iets in onze thee had gedaan.

Mijn vriend is van mijn leeftijd, maar dan iets ouder en ons theedrinken eindigt altijd met de ­mededeling dat hij het qua fietsen nu echt iets rustiger aan gaat doen. Aan het begin van het gesprek heeft hij dan verteld dat hij tijdens een tocht om het IJsselmeer ter hoogte van Stavoren met een snelheid van 70 in het uur een stevige smak heeft gemaakt.

Stavoren lag deze keer in Amsterdam-Noord, in een bos bij het Noordhollands kanaal. Mijn vriend is blij dat hij nog dingen doet waardoor je in het ziekenhuis kan belanden, dus eigenlijk was dat ribbetje een tegenvaller.

We kregen het over straatnamen. Was ik al eens in de Internetstraat geweest, of op de Disketteweg? Kende ik het Orgeldraaierspad, en hoe was ik met de Snelfietsweg?

Maar soms was ze zo ongeduldig dat ze tot toverspreuken overging om het huis een handje te helpen. Ze heeft het me nooit verteld, maar ik geloof dat ze erin geloofde. Ik zou het ook graag doen, maar ik heb zoveel spullen om me heen verzameld, dat zelfs Sint Antonius er geen wijs uit weet.

Maar wat het huis verliest, brengt het huis terug, soms zelfs dingen waarvan je niet wist dat je ze had. Gisteren was het een boekje van Siegfried van Praag met de titel De Eeuwige Plantage, zijn in geschreven herinneringen aan de Plantage waar hij zijn jeugd doorbracht.

Hij vertelt daarin, nooit geweten, dat de Plantage aan het einde van de negentiende eeuw een buurt was van kroegen en bordelen. In de tijd dat we in de Bosboom Toussaintstraat woonden, ging ik op werkdagen om kwart voor negen de deur uit om naar mijn werk te gaan.

Nadat ik de eindeloze trap was afgedaald, liep ik de straat in, waarna ik de Alberdingk Thijmstraat kon nemen om dan de Van Lennepkade af te lopen. Ik kon ook de De Genestetstraat ­nemen om vervolgens dezelfde kade af te lopen. De derde mogelijkheid was helemaal doorlopen naar het einde van de straat en dan meteen de Nassaukade op. Onderweg groette ik kapper Cor, die al vrolijk te knippen stond, zwaaide ik naar de bereden polities die mij koutend tegemoet kwamen en maakte ik vaak een praatje met Martin Bril, die er altijd vroeg bij was.

Het was een plezierig wandelingetje naar bus Op een gegeven ogenblik begon het me op te vallen dat ik vaak een zwangere vrouw zag, dat ik steeds vaker een zwangere vrouw zag en dat het verdomme wel leek of alle vrouwen zwanger waren. Bleek dat er in de De Genestetstraat een geboortecentrum was neergestreken.

Wanneer ik mijn huidige behuizing verlaat, zie ik mensen met wandelstokken en mensen op krukken, achter rollators en in rolstoelen. Het zal, denk ik, iets te maken hebben met Medisch Centrum Roelof Hart dat, een paar jaar geleden alweer, het postkantoor heeft overgenomen. Mij hebben ze niet meer. Zie ik overal trambestuurders met hun conducteurs, dan veronderstel ik een remise, zie ik allemaal koksmutsen een koksschool, maar wat te denken van allemaal aluminium kokertjes als patronen op de stoep en in de goot?

Op het kleine stukje Olympiaplein achter het Van Heutszmonument telde ik er maar liefst dertien. Inmiddels ben ik er achter. Middelbare school in de buurt. Op weg naar zomaar een wandelingetje hield ik even halt voor café De Zeepost op de hoek Prins Hendrikkade-Oudezijds Kolk en bekeek de schitterende krulletters op de ruit.

Dat weet u zo niet, maar de broer van mijn grootvaders zuster was de eerste krulletterschilder van Amsterdam en deze letters zijn nog van zijn hand. Uit meen ik. Het al even fraaie zeilbootje in de vensterbank is gemaakt door zijn tante die bekend stond als Schele Greet.

Bij de Oude Kerk liep ik de steeg met de kinderhoofdjes in die Oudekerksplein heet en waar lang geleden een kolenwinkel zat die in zijn etalage een enorm brok steenkool ­exposeerde. Even later stond ik voor de Dolle Begijnensteeg. Volgens de overlevering was het in deze steeg dat wij, een stel kinderen uit de zesde klas van Erasmusschool onder wie Joke Vlietman en Hans van Bronkhorst, een emmer water over ons heen kregen toen we door de kier in het gordijn van een peeskamertje naar binnen stonden te loeren.

Eerder die middag waren we op het Rembrandtplein naar het Waterorgel geweest, een nu vergeten attractie, waarbij een orgel als het bespeeld werd in zijn pijpen gekleurd water omhoog stuwde, een symfonie van kleur en muziek zal ik maar zeggen. En daarna dus hup naar de dolle begijnen. Met Marcel van antiquariaat Feniks had ik het over de raadselachtige prijzen die je tegenwoordig betaalt voor de boeken van Hanny Michaelis. Haar dichtbundels die allemaal van voor zijn, kan je overal kopen, en voor een symbolisch bedrag.

Maar Verst verleden waarin ze over haar jeugd verhaalt, is vrijwel onvindbaar en als je het vindt onverwacht duur. De vrouw ­begon te lachen en ging er meteen weer vandoor. Als je met haar in de auto zit en je zegt dat we rechts af moeten, gaat ze ongezien naar links, en omgekeerd. Maar het gekke is dat je de boel niet recht kunt trekken door alles om te draaien. Om de een of andere reden gaat ze dan wel rechtsaf.

Marcel dacht een tijdje na en zei toen dat hij het gevoel had in een sketch van Walden en Muyselaar te zijn beland. Na een lange wandeling door de stad waren we hier toen neergestreken om op een belangrijk telefoontje te wachten aangaande dochter en klein grut, dat zich tijdens onze wandeling leek aan te kondigen in de vorm van een veelkleurige bal, gevonden in de Reestraat. Als het goed is, is de bal nog ergens. Als we zitten en een andere besteld hebben, wijst mijn geliefde me op de telefoon aan de muur achter ons.

Het is een ouderwetse cafételefoon. Je kon er mee bellen, maar niet gebeld worden. Zou hij het nog doen? Cookies zijn niet eng, maar onderdeel van de HTTP-specificatie. Het HyperText Transfer Protocol wordt door iedereen gebruikt die een website bezoekt: Cookies kunnen nooit gebruikt worden om privégegevens van je computer uit te lezen of wachtwoorden te onderscheppen. Ook kunnen ze een computer niet infecteren met een virus of trojan.

Ze zijn dus volkomen veilig en worden al sinds de jaren 90 zonder incident gebruikt op bijna ALLE websites in de wereld. Uitleg over onze cookies. Dit is een hash van je huidige session id. Deze wordt gebruikt om te voorkomen dat anderen zich door middel van browsermanipulatie kunnen voordoen als jou. In dit cookie staat je userid opgeslagen.

Deze werkt alleen in combinatie met het sessid cookie dat hierboven al vermeld staat. Hier wordt de schermbreedte van je device opgeslagen.

Op basis hiervan kunnen bepaalde elementen wel of niet worden ingeladen of van een passende weergave worden voorzien. Dit cookie wordt door cloudserverdienst Cloudflare gebruikt om de juiste bezoekers naar onze server door te sturen. Zonder dit id zou je geen pagina te zien krijgen. Deze cookies worden gebruikt door Google Analytics en zij geven ons inzicht in onze overigens anonieme bezoekersstatistieken.

Google Analytics wordt door FOK! Deze cijfers worden gebruikt om de site verder te optimaliseren. Bij video's die op onze site gebruikt worden worden door de aanbieder vaak youtube, maar er zijn meer aanbieders cookies geplaatst om bijvoorbeeld het aantal bekeken video's te meten.

Bij de afbeeldingen die op de site geplaatst worden door onze bezoekers kunnen cookies geplaatst worden door de gebruiker zelf, danwel door de gebruikte hostingprovider.


lesbische meisjes hebben sex kleine lul neuken

De badpak- of bikinironde wordt daarom geschrapt. Het besluit volgt op de kritiek in de VS dat zo'n onderdeel niet meer van deze tijd is, maar de nasleep van MeToo speelt ook een rol. Het lijkt onderdeel van een grotere beweging.

Zo schrapte de Formule 1 eerder dit jaar de 'pitspoezen'. Deze schaars geklede vrouwen stonden gewoontegetrouw rondom de auto's en coureurs voor de start van een grand prix. Volgens de organisatie staan de 'pitspoezen' haaks op de huidige maatschappelijke normen en waarden. Is er sprake van een cultuuromslag waarbij vrouwen meer als mens en minder als lustobject worden gezien?

We spreken erover met o. Marli Huijer, bijzonder hoogleraar Filosofie aan de Erasmus Universiteit. Zij schreef eerder het boek Beminnen, dat als thema seksualiteit heeft. De afgelopen tijd volgde hij in Vlaardingen de nasleep van de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij ONS. Vlaardingen de grootste partij werd.

De lokale partij is opgericht door inwoners die vinden dat de politiek te ver afstaat van de burgers. De raadsleden gaan de straat op, naar eigen zeggen is voor hen "geen probleem te klein". Vlaardingen behaalde bij de verkiezingen 6 zetels en ging ervan uit in het nieuwe college te komen. Maar dat ging niet zonder slag of stoot. Het gaat niet om een toneelstuk, maar om een oefening waarbij ook de politie betrokken is.

Ouders en leerlingen van de school vinden het maar niks. Het zou onnodig angst zaaien onder scholieren. De school betreurt de onrust die is ontstaan, maar zet de oefening door. Eergisteren - Actualiteitenmagazine, Vanavond onder andere in Nieuwsuur: Met regelmaat van de klok schelden ze de boer, werkzaam op het terrein, uit tot hij het niet langer verdraagt en wegvlucht.

De nonnen Alessandra, Fernanda en Genevra leiden een eenvoudig bestaan in hun klooster. Hierop neemt eerwaarde Tommasso de nieuwe knecht Massetto aan. Deze is een viriele jonge dienaar die gedwongen wordt onder te duiken. Om enige verleiding bij de zusters te ontmoedigen moet hij zich voordoen als een doofstomme. Massetto worstelt met het handhaven van deze leugen als het onderdrukte nonnenklooster uitbarst in een wervelwind van seksualiteit, drugsmisbruik en feestvreugde. Tijdens een van zijn illegale nachtelijke escapades over de grens in Tel Aviv ontmoet Nimr, een Palestijnse psychologiestudent uit Ramallah, de Israëlische advocaat Roy.

Ze voelen zich onmiddellijk tot Ze voelen zich onmiddellijk tot elkaar aangetrokken. Ze gaan daten en worden verliefd. Terwijl zijn relatie met Roy zich ontwikkelt, wordt Nimr geconfronteerd met de harde realiteit van een Palestijnse maatschappij en een familie die zijn seksualiteit niet accepteert. Maar ook Israël vormt een bedreiging: Nimr vindt troost en liefde bij Roy en droomt tegelijkertijd van de dag dat hij zijn studie kan vervolgen in Amerika. Nimrs leven neemt een dramatische wending wanneer een bevriende, naar Tel Aviv gevluchte homo door de geheime politie wordt ontdekt en teruggebracht naar Ramallah.

Daar wordt hij door zijn landgenoten in koelen bloede vermoord. En zo ja, waar komt het dan vandaan en hoe is het mogelijk dat homoseksualiteit de evolutie heeft overleefd? Dat zijn de vragen waar de homoseksuele documentairemaker Bryce Sage al sinds zijn coming-out mee worstelt. Bryce reist de hele wereld over om op zoek te gaan naar antwoorden op deze fundamentele vragen. Tijdens zijn zoektocht verkrijgt Bryce allerlei nieuwe inzichten over de biologische achtergronden van seksualiteit en komt hij oog in oog te staan met zijn eigen identiteit en familiegeschiedenis.

Je geeft door gebruik te blijven maken van deze website, of door op "Akkoord" te klikken, toestemming voor het gebruik van cookies. Wil je meer informatie over cookies en hoe ze worden gebruikt, bekijk dan ons cookiebeleid. Ze hadden ook van die lage krukjes en geen WC.

Als je moest pissen werd je naar de krul in de Eggertstraat, in de schaduw van de Nieuwe Kerk verwezen. Ik sta op het Leidseplein als ik aan de Wenteltrap moet denken. Ik kijk naar de lichtvoetige toren van de City, waarin lichtjes branden die een wenteltrap suggereren. In het najaar van stond ik ook op deze plek. Ik was uit de 10 gestapt en had mijn pas ingehouden, omdat vlak voor mij een prachtige vrouw met een diep ­decolleté zich zo diep voorover had gebogen om iets aan een schoen te doen, dat ik de verleiding niet kon weerstaan, en keek.

Jip Golsteijn, beroemd popjournalist, vriend van een ­Elvis Presley, van een Otis Redding en een mij. Hij had zijn zwarte hoed op zijn Golsteijnkop en we gingen meteen naar Palladium, zijn café, voor de nodige drankjes, een tirumisu en een goed gesprek.

Een paar maanden later was hij dood. Een tijdje terug hoorde ik dat er een brug naar hem is vernoemd. Ondanks dat mis ik hem. Niet dat ik het kopen wilde, in geen achthonderdvijfendertig jaar, zoals mijn moeder gezegd zou hebben, maar misschien was het wel leuk om een foto te maken.

Voor later of zoiets. Nu ben ik de gelukkige bezitter van het schitterende boek Mijn Speelgoed Vliegtuigjes uit de collectie van Patrick Despature en de kans dat het toestel daarin stond afgebeeld, was niet denkbeeldig, maar waar staat geschreven dat ik moet uitzoeken of het daadwerkelijk zo was?

Veel eenvoudiger toch om even naar de Spiegelstraat te fietsen en daar zelf een foto te maken? Kom ik nog eens op straat en bovendien, het is een leuk tochtje. Toen ik bij de winkel aankwam, bleek de F-anny verdwenen, verkocht, een hele opluchting. Nadat ik een uit stammend hemelsblauw pennytoy raceautootje met een gele cockpit als de helm van een baanwielrenner had gekocht, vertelde ik over Mijn vader zat toen drie maanden in Engeland om de automatische piloot te bestuderen.

In zijn brieven die door mijn moeder werden voorgelezen, beloofde hij een vliegtuigje dat echt vliegen kon, maar toen hij terugkwam, bracht hij twee Dinky Toys voor me mee.

Bij mijn favoriete haringkar, die van Jan op de hoek van de Potgieterstraat en de Bilderdijk, at ik een harinkje dat me zoals ­gewoonlijk voortreffelijk smaakte. Jan vraagt altijd even naar mijn kleindochter die hij al kende toen hij met kar en al nog in de De Clercqstraat op de brug over de Da Costakade stond. Kleindochter zal toen een maand of acht zijn geweest, maar al een liefhebber. Op de brug was het nooit zo druk, maar hier kan je het treffen dat je zes man voor je hebt, van wie er twee drie haringen willen, zodat je tien haringen wachten moet.

Want aan haringen van ­tevoren schoonmaken, doet Jan niet. Nadat ik hem gerust had gesteld, vervolgde ik mijn weg. Lekker in het lentezonnetje wandelde ik de De Clercqstraat af, langs de champagnebar van Five Brothers Fat en schoenmaker Hakan Koç, langs kapsalon Eclipz en het Theo Thijssenportiek, langs Sjoege en café Hendrix, dat vroeger Lido heette.

Alles zit nog steeds in dozen, maar tegenwoordig heeft hij een verhuiswagen nodig. En voor mijn vriend hier een dubbele whiskas. Met een blokje ijs. En inderdaad, want nog geen vijf minuten later begon Theun Verboden vruchten te neuriën.

Als hij het zong, was de lamp uit, zoals Ina altijd zei. Bij de Prinsengracht was de ingang naar de Nieuwe Spiegelstraat gesloten voor autoverkeer. Eindelijk gaat het de goede kant op, dacht ik, maar of het ook zo was, was zeer de vraag. Want door dat het ene paaltje dat de straat blokkeerde, was een enorme verkeerschaos ontstaan.

Die dus allemaal terug moesten. Of liever, aan het begin, je kunt met dit soort mededelingen niet voorzichtig ­genoeg zijn, is me gebleken. Had ik nooit moeten doen natuurlijk, want alles wat ik zag, was even begeerlijk, schitterende opwindautootjes, speelgoedtreinen en het ergst van allemaal, de vliegtuigjes. Het ene vliegtuigje was nog mooier, was nog duurder dan het andere.

Ik ging naar huis met een klein Japans saltovliegtuigje, dat voor zijn 75 jaar nog verbazingwekkend mooie sprongen maakte. Deze keer stond er een viermotorig Air Francetoestel in de etalage, de F-Anny van Joustra, handelaren in blik.

Dof rood, euro slechts. Waar in de stilte ­tussen de bomen een wit prieeltje staat, terwijl de zonnewijzer hoog aan een achtergevel de tijd aanwijst.

En ik, gratis en voor niets, een prachtige schelp heb gevonden. Wie eerder opstaat dan normaal en eerder de straat ­opgaat, ziet dingen die hij normaal niet ziet. De ochtendvroege stad is mij niet onbekend, maar kende ik vooral van laat, en dat komt niet meer voor.

Om kwart over een lig ik er in of er moet, zoals laatst iets bijzonders op de televisie zijn. De cinema is dood, mag ik graag verkondigen. Van kunstfilms krijg ik uitslag en de rest is voor kinderen. Waar ze er geen twijfel over lieten dat ook een zwerm haaien wel een hapje lust, wauw!

Of het door dit cinematografische meesterwerkje kwam, weet ik niet, maar ik was vroeg uit de veren en vroeg op straat. Het leven kwam net op gang. En gaf me het gevoel dat ik in een oude Franse film terecht was gekomen. Bij het restaurant op de hoek was een meisje bezig tafels te dekken. Ze hield een wijnglas tegen het licht en bespeurde een vlekje dat ze wegpoetste met een doek. Bij de kaaswinkel kwam de man van de schoenenwinkel ernaast naar buiten, waarna hij met zijn broodje bij zichzelf naar binnenging.

Ik ging naar binnen bij de bakker. Want wie zijn brood niet snijden laat, wil meestal een papieren zak. Van alle vaste ritjes die ik maak, is het ritje door Stil Zuid met bestemming slagerij Robert Zikking mij het liefst.

O, de verrukkelijke keuzes die zich aandienen zodra ik mijn straat verlaten heb. Neem ik de kade of neem ik de laan? Neem ik de straat of neem ik de weg? Voor de terugweg koos ik voor het poortje naar de Herculesstraat, en vandaar achter het Van Heutsz langs naar de Jan van Goyenkade. Voor een geopende deur stonden een man en een vrouw met elkaar te praten toen er een peuter naar buiten kwam.

De man tilde de peuter op en gooide hem hoger in de lucht dan ik ooit gedurfd had. Moeder en kind schreeuwden het uit, maar om verschillende redenen. Verpakkingsmateriaal, dacht mevrouw Cornelis, bij wie ik een kroketje had besteld.

Ze had me gezien in een talkshow en vertelde dat haar man ook eens in een talkshow had gezeten, met Nico Haak van Honkie Tonkie pianissie op je sinaasappelkissie. Op slag gingen mijn gedachten terug naar de ochtend in november dat mijn vrouw me vertelde dat Nico Haak was overleden. Aangeslagen ging ik de straat op, waar ik zag hoe een auto een bakfiets schepte, en de sinaasappels bij dozijnen over straat ­rolden.

Er stond een reiger op het balkon. Toen ik een jongen was, waren reigers nog trekvogels die kwamen en gingen met de seizoenen, zoals trekvogels dat doen, maar tegenwoordig staan ze op je balkon als ze al niet voor een deur staan te wachten op de wonderbaarlijke verstrekking van piepkuikens. De reiger stond op hoge poten op de reling en boog zich met enige regelmaat voorover om met zijn snavel de diepte af te tasten. Ik was koffie aan het zetten en in de waterkoker water aan het koken voor thee.

Ik dacht aan het versje dat mijn geliefde improviseerde toen we, lang geleden, vanuit de tram een goede vriend op het terras van het café bij de Hogesluis zagen zitten. Een week later was hij dood.

Het water in de waterkoker kookte en maakte zoveel lawaai dat ik niet kon horen of de koffie in het espressopotje ook gaar was. Ik boog me daarom voorover om mijn oor te luisteren te leggen. Inmiddels had ze een theezakje in mijn koffiekopje gehangen. Even was het of we in een stuk van Beckett zaten. Bij boekhandel Premsela, een eindje verderop, stond ik nog wat na te praten toen ik zag hoe aan de andere kant van de ruit Remco Campert zich diep voorover boog om te zien naar welk boek hij stond te kijken.

De dubbele a zit weer in de maand en dus gingen we richting Valeriusstraat waar het ooit begonnen is. Geen straat om van achterover te vallen, de Valeriusstraat, maar toch valt er van alles te zien. Zo waren ze op diverse adressen in de weer om onder hun huis een schuilkelder aan te leggen en wat me ook opviel, was dat je bij menige voordeur kon zien waar vroeger de bel had gezeten. Alles verandert, maar sommige dingen blijven hetzelfde. Een geheime boodschap van de pastoor? Schuin aan de overkant lag café Bos er verleidelijk bij, maar wij zochten de ­oevers van de Schinkel op, waar de kade richting Zeilstraat drastisch versperd bleek door een vrachtwagen die probeerde een vuilcontainer op zijn rug te nemen.

Een kwartier later zaten we bij Gent aan de Schinkel, waar moeder en zoon even later ook binnenkwamen en we elkaar begroetten als buurtgenoten. Omdat ik een vriend die een enorme klus voor me had geklaard als beloning een fles goedkope wijn in het vooruitzicht had gesteld, begaf ik mij naar de Beethovenstraat.

De Beethovenstraat is een bruisende winkelstraat met op iedere hoek een koffietent waar de barista iedere ochtend eigenhandig de glutenvrije koe heeft gemolken. Toen ik de straat inliep, zag ik al van verre de altijd vrolijk stemmende wolken geel van de mimosa voor de deur van de bloemenwinkel.

In het voorbijgaan rook ik hun geur die me even terugbracht naar een dorp aan de voet van de Pyreneeën, een mensenleven geleden. Terwijl het vriendelijke meisje de fles in een feestelijk zakje liet glijden, bewonderde ik de narcissen die op de toonbank stonden.

Ik ben niet zo goed in bloemen. Ik nam haar mee naar buiten en wees naar de gele lentewolken een paar winkels verderop. Nog steeds kan ik er niet over uit dat ik als jongen uit de Bos en Lommer de Lippijnstraat heb gemist. Onze kerstbomenopslag lag daar, klaar om verbrand te worden, en werd geroofd. We vochten natuurlijk terug, maar niet met latten met spijkers erdoor zoals wel beweerd wordt.

Voor de visboer haalden we oude kranten op waar de vis in verpakt werd. Belden we aan en riepen: Heeft u nog oude kranten voor de blinden? Als ik maar geen toverheksen zie! Het lijken een soort toverspreuken. Oude kranten voor de blinden was een leugentje, de kip ­zonder eieren moest de politie op afstand houden, terwijl de kreet de juut juist lokte en over de donkere bosjes uit het spel waaraan ook meisjes meededen, heb ik zo mijn vermoedens, maar het blijft gissen.

We liepen onder de overkapping achter het Centraal Station en waren op weg naar het pontje naar Buiksloot toen ik mijn naam hoorde roepen. Op het moment dat hij zijn naam noemde, zag ik in hem zijn vader verschijnen. Ik kende hem al als kleine jongen, junior meen ik, maar inmiddels had ik hem een tijd niet gezien. Onlangs las ik wel een polemisch stuk van zijn hand waarin hij propageerde na het kakken water te gebruiken in plaats van een papiertje. Want hoe ging het? Waar de ­familie Luijters al te lachen zat.

Deze keer lachte Heere mee. Heere zei dat hij voor Schuttevaer werkte. Gewapend met zijn camera trok hij de haven in om schippers van binnenvaartschepen te interviewen. Laatst was hij nog op receptie van de havenmeester geweest, waar hij een Parool-collega stevig van de hapjes had zien eten.

Maar ik heb nog geen antwoord mogen ontvangen. Mocht u een dezer dagen het Stadsarchief bezoeken om de tentoonstelling Rapenburgerstraat te bekijken, sta dan even stil bij het adres Rapenburgerstraat 26 huis, waar het gezin Benjamin Blaaser woonde.

Begin zaten de eerste vijf kinderen op de Jonas Daniël Meijerschool, de latere 2e Joodse School in de Batavierstraat. Van die school is als door een wonder een absentieschriftje bewaard gebleven, waarin de kinderen Blaaser regelmatig een plaatsje kregen. Ook zijn er brieven van hun moeder waarin zij de reden van hun absentie toelicht. Zo schrijft Maria Blaaser op 2 mei Zo gauw zij weer beter is komt zij weer naar school, maar woensdag waren zij ook niet naar school, dat kwam, ik heb een klok maar die deugt niet erg of hij staat stil of hij loopt hard.

Ik hoop dat u het mij niet kwalijk zult nemen, maar het zal niet meer gebeuren. Ik heb een klok of die staat stil of hij loopt. Nu vanmorgen stond de klok stil, zo doende was het te laat voor hun.

Moeder wist niet hoe laat het was. Maria en hun acht kinderen werden op 25 januari vanuit Westerbork naar Auschwitz gedeporteerd waar ze op 28 januari werden vermoord. Amsterdam is altijd mooi, maar Amsterdam in de winter is nog mooier. Het zal door het lage licht komen, dat het water in de grachten in zilver verandert en de gevels glanzen laat. Er kwam ons een grote man tegemoet met een grote gele pinopet op zijn kop, als was het een pannenkoek. Bij Jordino stond een reusachtige paashaas in de etalage met allemaal kleine kuikentjes aan zijn hazenpootjes.

In het verlengde van de stegen glinsterden de grachten. Bij Centrum op de hoek met de Prinsengracht namen we een haring. Op het Singel dacht ik terug aan de dag dat er vlammen sloegen uit de koepel van de Lutherse kerk.

Mijn vader heeft me eens verteld dat de koepel groen was door oxidatie van het koper. De koepel zal vanzelf weer groen worden, maar ik zal het niet meer meemaken. Tenslotte belandden we op het terras van de II Prinsen op de hoek van de Prinsenstraat en de Prinsengracht.

Het was ijskoud en de zon ving en verguldde de wijzers van de klok van de Noorderkerk die 5 voor half 5 aanwees. Er fietste een jongen voorbij met een Chinees meisje achterop dat een wollig wit hondje met uitgestrekte pootjes voor haar buik hield. Dat kregen we er gratis bij, op die koude middag in het mooie Amsterdam. Vanaf een zekere leeftijd zouden wij geen nieuwe vrienden kunnen ­maken, maar wie op ­zekere leeftijd nieuwe vrienden maakt, weet dat het niet waar is.

Wat hij ook weet, is dat hij zijn ­oude vriendschappen koestert met een vasthoudendheid die doet denken aan het achteloze ­gemak waarmee hij vroeger vriendschappen verbrak. Op een terras aan het Prins Bernhardplein zat ik tegen Bernard Hammelburg op te scheppen dat ik een vriend had met wie ik nog in de derde klas van de lagere school had gezeten.

Niet dat ik daar veel mee opschiet, want de vriend in kwestie heeft een geheugen waarin wel plaats is voor een miljoen schaakpartijen, maar niet voor derde klassen van de lagere school. Maar toch, de gedachte alleen al dat we een verleden delen, stelt me op de een of andere manier gerust. Hij zou zich de toneelstukjes kunnen herinneren die we in de klas opvoerden, hij herinnert ze zich niet, maar het zou kunnen, en dat is prettig. In een klap kwam het hele continent van heden en verleden in beeld, breuklijnen en al.

Wie lid was van de Joodse jeugdbeweging, padvinderij of AJC heeft vrienden van heel vroeger, kan ze hebben in ieder geval. Hetzelfde geldt voor iemand die uit een buurt komt waar weinig werd verhuisd, maar wie van Leeuwarden naar Amersfoort naar Amsterdam ging, is iedereen kwijt. Ik ging van West naar Zuid en liet mijn westvrienden achter, behalve die ene dus die trouwens in Zuid woont en pal om de hoek. Al een jaar of 25 hoor ik mijn geliefde zeggen dat ze wel eens een patatje zou lusten van Wil Graanstra op de Westermarkt, maar om de een of andere reden komt het er niet van.

Vanmorgen bijvoorbeeld was de patatrij langer dan de rij voor het Anne Frankhuis, maar na een mooie stadswandeling door een ijzig Amsterdam kreeg ze een herkansing. De man bij wie we bestelden, droeg een bril met een rood montuur en een uitzinnige ijsmuts. Het was dus Graanstra zelf die hier friet stond te bakken.

Er meldde zich een nieuwe klant, waarop bleek dat ik een beetje in de weg stond. De juf was niet ouder dan zesentwintig schatte ik. Het mocht dus haast een wonder heten dat zij nog wist wat een brief was en dat je hem om hem ergens heen te sturen in een brievenbus moest doen. Zou ze weten dat er een postzegel op moet, bedacht ik, zorgelijk als ik nu eenmaal ben. En kregen de kinderen wel een cijfer? Lang geleden las ik over een meisje dat een 8 voor sperziebonen had.

Ook heb ik iemand gekend die op de Joodse school een onvoldoende had voor zegeningen, en in een interview dat ik kort geleden las, zei de 9-jarige Nena Verdonk: Wanneer houden kinderen op moet huppelen? Op het moment, denk ik, dat ik ophoud me zorgen over hen te maken.

Moeders die hun fiets op de standaard zetten terwijl hun kind in een mandje achterop zit, kinderen die achter hun bal aan dreigen te rennen als die van de stoep afrolt, moeders die op hun telefoon kijken terwijl hun kinderen in een pierenbadje spelen, overal zie ik gevaar. In de tram had het meisje zich aan de greep van haar moeder ontworsteld en drong langs mij naar de uitgang.

Waar de man die naar buiten stapte zojuist het klaphekje had losgelaten. Ik wist er nog net een hand tussen te krijgen en zag haar vrolijk weg huppelen, nieuwe gevaren tegemoet. Aan de Distelweg, vlak voor je bij de Aster­dwarsweg komt, kun je achter een hek de Food Coop Noord zien liggen. Ik zag kleine zelfgebouwde huisjes, waarvan een met een boot op het dak en een ander met een tafel voor de deur waarop een grote ­globe stond.

De moslima van dienst die zei dat ze de sleutel ging halen, bleef een hele tijd weg en toen ze kast wilde ontsluiten, bleek hij al open, zodat we allebei een lachbui kregen. Bij de betaalbalie legde ik mijn euro neer.

Bij café De Pont gingen we aan het raam zitten om over het IJ te kijken en naar de schepen die met grote snelheid langzaam voorbijvoeren. Als je bij De Pont een plasje wil doen, moet je een heel steile trap op die je daarna ook weer af moet. Omdat we wilden zien hoe het Van der Pekplein er tegenwoordig bij ligt, namen we het pontje naar de Buiksloterweg.

Het was een mooie frisse dag en het IJ strekte zich aan beide kanten uit zover je kijken kon. De Zuiderzee ligt achter een dijk en daardoor is het licht veranderd, maar op het IJ ligt het er volgens mij nog net zo bij als in de zeventiende eeuw.

Vanaf de pont zag ik zelfs de drie masten van een driemaster. Dichterbij gekomen zag ik een vrouw bezig de was op te hangen. Een wasje in de wind is altijd al een feest, maar als het wasje ook nog op een zeilschip wappert, raakt het aan geluk, dat slechts wordt overtroffen door een wasje op een schip dat hoog aan de wind het water klieft. Het Van der Pekplein had een verfje gekregen, maar leek verder sprekend op het Van der Pekplein van weleer, net als de Van der Pekstraat trouwens.

En vindt zijn bekroning in de Wasknijper, een brug van formaat over het Buiksloterkanaal. Een ­geheimzinnige tekst die dromen doet en me onweerstaanbaar denken deed aan de tekst die ik eens zag op een groot gebouw in Berlijn.

Waar we liepen lag eens Asterdorp, in gebouwd als schoremstad, tijdens de bezetting ­verworden tot Joods getto, inmiddels spoorloos verdwenen. In de tram stond een oude vrouw met een rollator. Toen ik uitgestapt was, zag ik dat er vlak voor de tram een vel bladmuziek tussen de rails lag.

Oprapen, maar pas na oogcontact met de bestuurder, want o wee als de tram ineens ­begint te rijden. De oude vrouw met de rollator was ook uitgestapt, zag ik, maar zonder rollator en voordat ik iets had kunnen ondernemen, was ze al in de volgende tram gestapt die knarsend het stoplicht haalde en in razende vaart over de brug verdween. Duivelseiland lag gevangen in een volle regenboog met al zijn kleuren.

Duivelseiland, waar de jonge mensen wonen, ligt aan de andere kant van de straat. Frikkendorp, voor de oudjes, aan de onze. Maar Moord en Brandbuurt was me tot voor kort ontgaan.

Ze zullen het ernaar gemaakt hebben in de Spaarndammerbuurt, dat voorbeeld van verheffende architectuur, met zijn ramen die niet helemaal open kunnen om over de vensterbank hangend kletsen te voorkomen, zijn aan de vloer vastgeschroefde tafels en zijn schuurtjes met moestuingereedschap. Niets van dat al in de Indische Buurt, waar toch ook arbeiders woonden.

Er staat daar een school die genoemd is naar Jan Pietersz. Dat kan zo niet langer. Behalve in de Indische Buurt dan. Met u hoop ik dat die oude mevrouw haar rollator teruggevonden heeft. En de gevonden muziek bleek fijne marsmuziek, soms weet je niet waaraan je het verdient.

Wie een boek schrijft, zal het ook corrigeren. Corrigeren is als spinazie wassen, er blijft zand uitkomen, en zo volgt na iedere correctieronde een nieuwe correctieronde, tot het boek naar de drukker moet en het wassen, zand of geen zand stopt. In mijn boek sterft de Rapenburgerstraat met zijn bewoners die huis na huis, trap na trap uit hun woningen worden gehaald om via Centraal Station en Westerbork naar Polen worden gedeporteerd om daar vermoord te worden.

Toen iedereen weer dood was, borg ik het manuscript op en maakte me klaar om de deur uit te gaan voor boodschappen. De herinnering is het brood der doden, dacht ik terwijl ik de deur achter me dichttrok.

Vlak voor de Ceintuurbrug, zag ik, liep een smal in het gras uitgesleten pad in de richting van het benzinestation, hoe was het mogelijk dat ik het nooit eerder had gezien, het pad meen ik. In het café stonden de vaste klanten iets te vieren. Mij was het iets te gezellig. Nadat ik het ­rumoer had binnen gesloten keek ik de lange straat af die aan beide zijden tot het water reikt.

Tijd voor de maan om boven de daken uit te komen. Een paar jongens uit de ­Esmoreitstraat, inmiddels allemaal oude ­mannen, zijn bezig een straatreünie te organiseren. Ze stuurden me een lijst met namen die ze hadden achterhaald.

Zo kwam het dat ik terugdacht aan het eerste en ­tevens laatste kinderfeestje dat mijn moeder voor mijn verjaardag heeft gegeven. Meteen aan het begin van het feestje was het misgegaan, want buurjongen Bartje wilde zijn jas niet uittrekken, terwijl ik juist wilde dat hij dat wel deed. Waar een negenjarige zich al niet over opwindt. We liepen door de Haarlemmer­straat of op de Haarlemmerdijk, toen ik het verhaal aan mijn geliefde vertelde.

Ze was natuurlijk bang dat ie gestolen werd. Laatst kwamen een vriend en ik via associatie op Franz Reichelt, de kleermaker die op 4 februari vanaf de Eiffeltoren weg zou vliegen om vervolgens als een baksteen naar beneden te vallen.

Er schijnt een parachuteclub naar hem te zijn genoemd, maar dat terzijde. Waar het om gaat, is dat mijn vriend een verhaal vertelde dat ons op Reichelt bracht en dat we allebei vergeten zijn welk verhaal dat was. Het verhaal dat weer aan dat verhaal vooraf ging, herinner ik me wel.

Dat ging over Bulletje en Bonestaak die op Manhattan wachten op de in rubberbanden verpakte man die na dertien dagen, zeven uur en tweeëntwintig minuten weer contact zal maken met de aarde om daarna nog hoger de ruimte in geslingerd te worden.

Het bruggetje dat de overzijden van de twee verhalen tot buren maakte, lijkt voor altijd kwijt. De krantenwinkel naast de kaas bleek gesloten. Er was geen brood in huis, maar door tijdgebrek moest er gekozen worden, tussen brood van een eind verderop of een krant van een eind terug.

Brood of krant, krant of brood. Het werd de krant. Bij de zebra op weg naar Martyrium meende ik aan de overkant een dame te ontwaren met net zulk grijs haar als ik, met dat verschil dat haar haar vroeger platina was geweest en het mijne melkboerenhonden. Terwijl ik me iets voorover boog en een oog sloot om beter te kunnen zien, zag ik dat zij hetzelfde deed.

Het ging haar goed, maar oud worden, vond ze niet echt een feest. Even later betrad ik Martyrium, waar een grote Lucebertposter in de etalage hing. En nu bleek hij plotseling de beste dichter van Nederland te zijn geweest. Ik moest er aan denken toen ik bij de kapper binnenstapte waar Alies uit Akersloot die tijdens het knippen vaak zo gezellig met mij praat al op me stond te wachten.

Truitje, klinkt goed, vindt u niet? Bij twee nichtjes die naar België waren verhuisd en op school zoveel plezier hadden omdat ze er op de poep ­zaten. Maar de Belgen zeiden dat het een aardappel was. Als je naar het frietkot gaat en je vraagt om een patat, dan krijg je een aardappel. Hebt u eigenlijk kleinkinderen? We gaan straks naar haar toe. Mag u haar op straat nog een knuffel geven? Nadat ik mijn kleindochter begroet had, streek ze met haar hand over mijn gemillimeterde hoofd en zei: Wie tramt zit met zijn neus in de tramrails, wie loopt of fietst is zo vrij als een vogeltje.

Ook als de bestemming vast ligt zijn er duizend ­manieren om er te komen. Neem ik de toeristische route? Zelfs als je de kortste weg neemt, zijn er vele mogelijkheden. Als een straat opgebroken is of ­afgesloten wegens weet ik veel is er altijd een sluipweg, meestal vlak langs de huizen.

Er staan borden die met boetes dreigen en mannen met hesjes die driftig gebaren, maar het is geen Amsterdammer die zich daar wat van aantrekt. Bij de werkzaamheden rond het Weteringcircuit hebben ze het daarom anders aangepakt. Wat er gebeurt als je naar links gaat, heb ik nog niet uitgeprobeerd, maar ga je rechtsaf dan zit je gevangen tussen twee ijzeren tangen en heb je maar te gaan zoals de pijlen wijzen.

Zo kwam ik terecht in de Den Texstraat waar ik heel lang niet geweest was en meteen een hoogst interessant poortje zag, waarvoor ik helaas geen tijd had. Via de ­Nicolaas Witsenstraat hervond ik de vrijheid. Ik stak over richting Reguliersgracht en zo schuin tegenover de Alhambra moest ik denken aan de nachten dat hier nog druk getippeld werd.

Ik stond hier toen eens met een dame die daar geen weet van had. We wilden een taxi en toen ze een auto zag naderen, ontsnapte ze naar de trottoirband en stak haar hand op, waarna de auto prompt tot stilstand kwam en het portier openzwaaide. Ze boog voorover voor overleg en riep toen: Wie bij een Chinees eet, heeft het vaak een tijdje over eten bij de Chinees.

We kwamen uit de Openbare Bibliotheek aan de Oosterdokskade en we wilden ergens een hapje gaan eten. Maar waar, was de vraag. Totdat iemand opmerkte dat er vlak voor onze neus een enorm Chinees restaurant in het water dreef.

Gauw naar de loopplank dus en aan boord. Zonder dat we er om hadden gezeurd, werden we naar de mooiste tafel van het restaurant geleid, uitzicht op het water en de bootjes en op de huizen en de torens die ­boven de huizen uitstaken aan de overkant.

Intussen waren de drankjes gebracht en was het verplichte uitwisselen van herinneringen aan Chinese restaurants begonnen. Eddy deed nostalgisch over tante Mia, een bamitent op de Oudezijds waar in de jaren vijftig heel artistiek Amsterdam goedkoop kwam eten. We bestelden, bestelden er bier bij en thee en mijn geliefde zei dat zij haar biertje pas wou als het eten op tafel stond. Toen het eten er stond, kwam de jongeman die ons vlekkeloos bediende, vragen hoe het ook alweer zat met dat biertje.

Toen we uitgegrinnikt waren, stond het op tafel. Op weg naar de uitgang van het zeepaleis bewonderden we de enorme uit hout gegutste adelaar die met gespreide vleugels in de hal staat. In de lege winkelruimte in de Roelof Hartstraat stond een ronde tafel met daaromheen negen stoelen. Op de tafel lag een schedel, van een paard zo te zien, en er stond een beeld van een grote witte hond met zwarte vlekken.

Op een van de negen stoelen zat een man op zijn telefoon te kijken. Bij de Ceintuurbrug lag een ­gestroomlijnd jacht afgemeerd, vernoemd naar een society­verslaggever uit lang vervlogen tijden. Ik wist het niet. Nadat we bij Marqt van die lekkere viskoekjes hadden gekocht, zochten we Sarphati op voor een drankje.

Het meisje dat ons een borrel bracht, hield er een in elke hand en liep stapje voor stapje om niet te morsen. Oude man valt in herhalingen. Een paar dagen later schonk ik in de keuken een borrel in en liep er voorzichtig mee naar de huiskamer.

Nadat ik de glaasjes op tafel had gezet, dacht ik, hé, ik had ook aan tafel kunnen inschenken. Niks te zien en er gebeurt nooit wat. Sinds een tijdje zijn ze bezig het voormalige politiebureau te verbouwen tot appartementen. Ik volg het met argusogen.

In de vroege morgen van zaterdag 5 juni liep ik met Frans de Bruyn over het landje achter de Glazen School. We hadden een winkelruit ingegooid en we konden maar beter bekennen, want anders gingen we naar het tuchthuis. Een paar weken later, op woensdag 30 juni, stond ik met mijn moeder voor het Hoofdbureau van Politie, waar ik om twee uur precies verhoord zou worden. Maar om twee uur was ook de zonsverduistering en die ging voor. Het werd stil op straat.

Schaduwen verdwenen, de gebouwen stonden in het bleke licht alsof het uit karton geknipte decorstukken waren. In januari ging Jan Donkers, en o wat zal ie het koud hebben gehad, met een fles jenever naar Gerard Kornelis van het Reve om hem te vragen of hij beschermheer wilde worden van het jongemannengezelschap Baart. Dat wilde Gerard wel. Met een knalfuif, filmpjes waarop je kon zien hoe jong we vroeger waren, toespraken, een etentje en een boek, Het dispuut Baart, hoe 16 Amsterdamse jongens wel even de media zouden veroveren.

Frits en ik hebben het er niet over gehad, maar zoals altijd als ik hem zie, gingen mijn gedachten terug naar de middag van de voetbalwedstrijd tegen de Haagse Post, toen ik na een keiharde tackle van Ischa Meijer jodelend van pijn tegen de grasmat ging. Iedereen riep meteen om dokter Frits, die nog wel geen dokter was maar ervoor leerde, wat min of meer hetzelfde is. Dokter Frits kwam, keek en zei: Een paar weken later hielp ik Frits verhuizen. Om het geld dat we niet hadden uit te sparen, had hij een bakfiets gehuurd.

Ik zat in de bak tussen huisraad, stoelen en een bed. Frits trapte en ondertussen bespraken we de komische sketch die we schrijven gingen voor Johnny en Rijk. Frits zag het daarom niet, het bestelautootje dat de Tweede Jacob van Campen uitkwam. Daarbij kwam dat hij dacht dat je remde door de rem omlaag te duwen of omhoog, daar wil ik van af wezen, maar het resultaat was hetzelfde.

Ik wilde wel dat het in de Spaanse Brabanderstraat was, maar het was in de Grianestraat dat ik samen onder onze paraplu gebakken vis rook. Echt verbaasd was ik niet, want om de hoek op de Bos en Lommerweg, wist ik, lag de vishandel van de Gebroeders Molenaar, geen kar, maar ook geen winkel, iets er tussenin.

Molenaar is een visboer zoals visboeren horen te zijn. Alle vis die een mens zich wensen kan, voortreffelijk uitgestald, leuk personeel en gezellige klanten, voornamelijk van Marokkaanse ­afkomst. Ik bestelde een harinkje en terwijl ik het me smaken liet, volgde ik het gesprek tussen een meisje van de vis en Marokkaanse die even niet wist hoe de vis die ze ­begeerde ook alweer heette. De dorade en de zonnevis hadden geen moeilijkheden opgeleverd maar nu zat ze even vast.

Ten slotte wees ze op mijn haring en zei: Ik hoopte dat ze hem ter plekke soldaat zou maken, met uitjes en een stukkie zuur, maar ze liet hem inpakken, ook goed. Even later staken we over naar de drukke kant van de Bos en Lommerweg, waar het wemelt van de patisserieën en de theesalons en waar door dames met kinderwagens geflaneerd wordt terwijl hun kleuters groepsgewijs aan uitzinnige lollies likken. De Bos en Lommerweg is anders dan in mijn kinderjaren, maar ik voelde me weer helemaal thuis.

Binnen wisten we dat nog niet en vroegen we ons af of er nog mensen waren die wisten wat dat was, een binnenkomertje. De Bos en Lommerweg is als thuiskomen. Hier kom ik vandaan, hier ken ik ieder huis en ­iedere steen, iedere hoek en ieder poortje.

Overal weet ik precies waar ik ben en als ik naar links ga of naar rechts draait de hele plattegrond met me mee. Maar ik was nog maar net voorbij pizzeria ­Michel Angelo of ik zag een paadje dat er niet hoorde te zijn maar er toch was. Het liep vlak langs het oorlogsmonument in de richting van de Hertspieghelweg.

Aan beide zijden van het pad lag een grasveld vol paarse krokussen. Ik liep het pad op en na paar stappen zag ik tot mijn niet geringe verbazing aan mijn rechterhand een straatje dat ik nooit eerder had opgemerkt. Aan de ene kant van het straatje keek je op de achterkant van de huizen aan de Bos en Lommerweg, aan de andere kant lagen enigszins verwaarloosd ogende loodsen waarin ­garages zaten en stapels autobanden lagen opgetast.

Het straatje, de Lippijnstraat, leek dood te ­lopen op de achterkant van de ­Admiraal de Ruijterweg die tevens de achterkant was van Indonesisch restaurant Betawi. Maar vlak voor het doodliep, was er een opslagterrein van Stadsdeel West. Door de gleuf van de brievenbus zag ik pallets met stenen en dakpannen. Langs de muur van het terrein liep een pad dat naar een poortje leidde dat toegang gaf tot de Hertspieghelweg.

Om te zeggen dat mijn wereld instortte, nee, maar dat ik als jongen een geweldige straat als de Lippijnstraat geheel gemist heb, deed pijn. Wat hadden we in de achtertuinen en tussen de loodsen niet voor rotzooi kunnen uithalen. Met een afstand van 65 jaar zag ik ons joelend door het poortje rennen. De jonge mensen die ik leerde kennen toen ze nog jong waren, kende ik meestal via onze dochter.

Maar Menno Wigman kenden wij onafhankelijk van elkaar, ieder op onze eigen manier. Dochter was punk en bij punk hoorde punkband Human Alert. De haardracht, de manier van ­opmaken en de kleding van de jeugdige punkies uit mijn omgeving kon ik zeer waarderen, maar met de kolereherrie die punkgroepen produceerden had ik niks.

Human Alert heb ik nooit zien spelen. In diezelfde tijd schreef ik in deze krant veel over Franse literatuur, over dichters uit de negentiende eeuw in het bijzonder. Toen wij elkaar kort daarna ontmoetten, vertelde de jonge dichter me dat hij de drummer was van Human Alert en een vriend van mijn dochter.

Zoiets schept een band. In de jaren die volgden is Wigman nooit uit mijn leven verdwenen. Hij maakte naam als dichter, maar bleef dezelfde man, schuw maar heel uitgesproken, nooit gelukkig en altijd, leek me, op de rand van de armoede.

De laatste keer dat we elkaar spraken, was in de Hij was op weg naar de zolderkamer op de Churchilllaan die hij had gehuurd omdat hij daar beter werken kon. Het ging slecht met hem. Een hartkwaal, bijna dood geweest. Maar hij schreef, en daar ging het toch maar om.

Een tijdje later, lees ik in mijn dagboek, stuurde hij me een lange brief. In de mail, dus die brief is weg, want op een dag was al mijn mail verdwenen. Maar de foto van de jonge Human Alert drummer op zijn boze zwarte kistjes is er nog. Net als zijn poezie. De kennissen bij wie ik op bezoek ging, bleken in een dependance van het Rijksmuseum te wonen.

Dezelfde architect, dezelfde baksteen, hetzelfde glas in lood en een monumentale trap die een monument is bovendien. Met ­uitzicht op het Vondelpark, dat er roerloos bij lag, kregen we het over lammetjespap. Dat had ze als kind wel gedaan, maar lekker had ze het niet gevonden. Ik hield van havermout, maar lammetjespap vond ik lekkerder. De gladgestreken pap als een de volmaakte cirkel op je bord, het klontje boter precies in het midden. Als er maar geen klontjes in zaten. En zo was de lammetjespap van meneer Wodehouse jaar na verschijnen opnieuw aanleiding tot veel commentaar.

Toen ik de monumentale trap was afgedaald en het pand wilde verlaten, zat er een eekhoorn voor de deur die ­nadat ik hem had binnengelaten voor de tussendeur ging zitten ­miauwen. Nadat ik afscheid had ­genomen van mijn ­afspraak fietste ik de Rapenburgerstraat uit, stak ik de Weesperstraat over, dook ik de Nieuwe Amstelstraat in en draaide een paar tellen later aan de andere kant van de Blauwbrug de Amstel op.

Boven de ­Hermitage hing de maan. Vol en groot, wit met een zweem van blauw. Over de bruggen ging ik van ­Hermitage tot Carré en de maan ging met mij mee. De maan hing boven de voetbalvelden van VVA en het was precies zoals mijn oma zei, de maan liep met ons mee.

Ik zal een jaar of vijf geweest zijn. De sluisdeuren van de Amstelsluizen stonden open zag ik en hoezeer het mij ook speet, bij de Hogesluis moest ik rechtsaf.

Pas toen ik langs het Sarphatipark fietste zag ik de maan weer, want ik heb ogen in mijn rug. In het verlengde van de Eerste Jan Steenstraat stonden naast elkaar zes mensen de maan te fotograferen.

Wonderlijk, want geen mens lijkt ooit naar de maan te kijken. Ook nu niet, want het was een zwerm spreeuwen in een boom die gefotografeerd werd. Toen de zwerm opvloog , de maan bijkans verduisterend, stoven de zwermkijkers uiteen. En zo gebeurde het dat er in de Eerste Jan Steenstraat drie mensen naast elkaar een blauwe maan stonden te fotograferen.

In een steeds grijzer wordend verleden had ik een betrekking bij een grote uitgeverij die kantoor hield in een buitenwijk van Haarlem.

Als het ­lunchuur was aangebroken zag je daar een heleboel mannen en vrouwen die zich naar hun auto haastten om in nog grotere haast weg te rijden. Nader onderzoek leerde dat ze bij een aan de weg naar Alkmaar gelegen motel moesten zijn. Wat zijn daar gingen doen, is mij onbekend, maar eenmaal terug op het werk oogden ze vaak wat verfomfaaid. De stelletjes die ik in diezelfde tijd in het Miranda Paviljoen aan de Amstel zag, oogden in het geheel niet verfomfaaid, integendeel, ze oogden prachtig.

Hij was meestal vijfenveertig en strak in het pak, zij nog net geen achtendertig, zorgvuldig opgemaakt, met oorbellen en hoge hakken.

Ze dronken witte wijn en zuchtten. Als ze vertrokken, liepen ze ieder naar hun eigen auto. Minder bekend is dat jonge mensen ook zulke hangouts hebben. Voor gestolen kussen treffen ­Marokkaanse geliefden elkaar graag in het plantsoentje van de Harmoniehof bij mij om de hoek, maar een nog mooiere plek was het charmante snackhuisje aan het begin van de Vossiusstraat, vlak bij de Van Baerle.

De jongens hier waren zelden ouder dan 19, terwijl de meisjes niet verder reikten dan 16, maar alles in hun gedrag wees op overspel. De schichtige blikken, de vaak wanhopige zuchten, het schimmige van hun komen en gaan.

Het snackhuisje is afgebroken, maar de jongens en meisjes die er kwamen, zullen een andere plek hebben gevonden. Niemand die mooier over straten schrijft dan ­Patrick Modiano. Zijn roman De horizon uit was me ontgaan, maar kwam met enige vertraging toch op mijn pad, zodat ik het weer eens kon controleren, en ja hoor: Op weg van hier naar daar kruis je de Rapenburgerstraat wel eens en een enkele keer volg ik hem een stukje, maar de straat als geheel wist me lang te ontsnappen.

Ik weet nog hoe verbaasd ik was toen ik ontdekte dat het einde van de straat tegenover de Harmoniehof ligt, van elkaar gescheiden door Boerenwetering en Hobbemakade, maar toch. Aan het einde van de straat kan je het begin niet zien. Wel een hoog gebouw, waarvan de kenner aan mijn zijde beweerde dat het om het Okura ging.

Onderweg beleefden we vele avonturen. Zo kwamen we langs een Albert Heijn die in koloniale waren deed en was er een boekenkastje met Ilias en Odyssee in het Grieks.

Toen kwamen we aan de rivier waar de straat zijn oorsprong vindt en konden we niet naar de Unie voor een biertje, want een café is geen rivier. Mijn grootvader was een strijker. Hij heette Cees en was kort na zijn tiende verjaardag naar Amsterdam vertrokken. Aalsmeer met zijn zwartekousenkerk waar hij op zondag vier keer naar toe moest, was hem te machtig geworden. Hij had zijn klompen aangetrokken en was naar Amsterdam gelopen. Of hij daar bij iemand terecht kon, of dat hij eerst als een jongen uit een roman van Dickens dagen en nachten over straat heeft gezworven, weet ik niet.

Als iemand dood is, merk je pas wat je vergeten bent hem te vragen. Het waren de dagen van het opkomende socialisme. Mijn grootvader sloot zich aan.

Hij hoorde Pieter Jelles spreken, en Wibaut, en Domela. Hij werd leerling typograaf en was lid van de Bond. Het was een kleine man, met rossig haar dat hem al snel in de steek liet. Hij trouwde met een dienstmeisje, Jannetje Kastelijn, een weeskind afkomstig uit Apeldoorn. Haar dienstje was op de Nassaukade, bij dokter Spanjer die goed voor haar was. Hij kon onbedaarlijk lachen om tante ­Anna, die in het duister van de alkoof bij een kaars de kaart legde.

Maar zelf was hij een strijker die met golvende bewegingen pijn wegstreek. Je gaat de Albert Heijn binnen en het lijkt voorjaar en als je weer buiten komt, is het noodweer. In de ­beschutting van een portiek in de Ferdinand Bol stond een oude ­Indische vrouw. Het waait zo en ik ben bang dat ik val. Dus ik ben heel voorzichtig. Tot de stoplichten alstublieft. Ze ging bij de Bestseller even wat sigaretten kopen.

En dan neemt ze straks een lift terug, bedacht ik nadat ik afscheid van haar had genomen. Bij de brievenbus bij ons in de straat kwam ik de mevrouw van de postzegelwinkel tegen. Ze vertelde me dat ze met Theo van de Kaas een wedstrijd deed wie vaker in Klein geluk voorkwam.

Goede kansen lachen je toe. Ook in de toekomst. Waar ik ook woonde, de middenstand heeft zich altijd in mijn warme belangstelling mogen verheugen. Vooral wisselingen van de wacht interesseerden mij zeer. De jaren in de ­Bosboom Toussaintstraat waren wat dat betreft een goudmijn, want straat en buurt ondergingen in die tijd grote veranderingen, wat je uiteraard terugzag in het winkelbestand.

Melkboer en bakker verdwenen uit de straat, abonnementsrestaurant Alco moest eraan geloven, en zelfs Piet en Truus van de sigarenwinkel, waar het zo uitbundig naar stamppot andijvie met een slavink ruiken kon, sloten uiteindelijk de deuren. Maar er kwam van alles voor in de plaats. Mijn favoriete nieuwkomer zat vlak om de hoek van de Eerste Constantijn Huygensstraat.

Zomaar zonder aankondiging was hij er, een vrijwel lege zaak, bemand door een grote zwarte man in een blauw pak dat van glinsterende kunststof leek. Hij zat roerloos achter een toonbank waarop drie blikken motorolie op elkaar gestapeld stonden.

Voor zover ik kon nagaan zat hij er van 10 tot 6, een maand of zeven schat ik, toen was hij verdwenen. Achter de balie hing de brief die hij op 23 augustus vanuit het hotel geschreven heeft: I would like very much to accept your invitation for tonight, but owing to the fact that I have taken a big dose of Castor Oil, I will have to stay in the house for a few days.

From yours truly, Louis Satchmo Armstrong. We liepen op de Nieuwe Keizersgracht, aan de zonnige kant, op het tweede stuk, voorbij de Wibautstraat, vanaf de Amstel gezien dan. Het is zo mooi en stil hier dat je aan je ogen en oren gaat twijfelen.

Het aardige is dat de bewoners van al dit moois uitkijken op tamelijk lelijke flats aan de andere kant van het water. Je ziet dat wel vaker. Een tijd lang kwam ik in de Kerkstraat op een verdieping in een van de ­lelijkste huizen van de stad, en dat wil wat zeggen.

Maar als ik vanuit dat lelijke huis naar buiten keek, zag ik op een paar meter afstand een van de mooiste huizen van de stad. Het werd bewoond door ­typograaf Helmut Salden en ik heb het altijd erg gevonden dat hij vanuit zijn prachtige huis moest zien wat er tegenover hem stond.

Wij waren inmiddels aan het einde van het grachtje gekomen. Aan de overkant stond het Rosenthal-May Zusterhuis waar vroeger Jet woonde, de coupeuse die nog voor prinses Beatrix coupeerde, en voor ons lag de Hortus met zijn kassen.

Omdat het al bijna donker was lieten we de Hortus links liggen en begaven ons naar café Koosje, voorheen café De Plantage, waar toen twee wonderlijke Duitse dames de scepter zwaaiden. De bazin altijd op haar vaste plaats, haar vriendin druk bezig de chaos in het keukenkastje aan te pakken. Takel het raam omhoog. Vergrendel het raam met de ketting. Opmerkelijk dat er altijd wel iemand rende om hem te halen.

Wij ook toen ons moment gekomen was. Het is interessant te zien hoe namen van drankjes veranderen. Toen ik nog dronk had je, in aflopende grootte, de grote pils, het biertje en het ­colaatje pils, waarbij aangetekend dat een grote pils ook wel een vaasje werd genoemd. Een ­Amsterdammertje kon je niet ­bestellen. Als tijdens het schenken je glas niet vol raakte, maar de jeneverfles wel leeg, was wat er in het glas zat voor jou, gratis en voor niks, en dat heette een Amsterdammertje.

Geen café dat er nog weet van lijkt te hebben. En dan de kopstoot. Dat is tegenwoordig een biertje met een jonge borrel ernaast. Als je in mijn tijd een jonge jenever bestelde, vroeg de barjuffrouw of het wel goed met je ging en of je niet liever een ­citroentje met suiker wilde.

En die ging in de pils. Je kon hem er ingooien, maar liever lieten wij de borrel met glas en al in het bier zakken. Een duikboot heette dat. Wat nu een kopstoot wordt genoemd, heette een stelletje.

Ook lekker, meen ik me te herinneren. Inmiddels vraag ik me af of het wel goed gaat met de jenever. Wie heeft ooit zoiets gehoord. En met de glazen zijn ook al problemen.

Met gierende geeuwhonger stond ik op station Sloterdijk. De ch was in de klok, maar zie, de Döner Company was nog open en er stond geen rij. Goede raad was deze keer niet duur en nadat ik de kleurenbijlage aan de wand bestudeerd had, bestelde ik voor 3,50 euro een medium broodje kalfsdöner met sambal, dat ik even later ingepakt de tram binnen smokkelde. Zo halverwege, verdekt opgesteld tussen conducteur en ­bestuurder, begon ik aan het eerste tramdiner van mijn leven. In de Hongerwinter hadden we honger, nu had je hooguit trek.

Een goede vriend vertelde me onlangs dat hij in de Hongerwinter een keer tegen­over zijn moeder zat en toen de letters die hij zag begon te spellen: Toen de Hongerwinter afliep, was hij twee, dus voor het waarheidsgehalte van de anekdote kon hij niet instaan.

Ik leerde pas lezen toen ik op school zat, maar toen las ik ook alles wat los en vast zat. De eerstvolgende keer in de tram liet ik haar zien dat ik gelijk had. Het stond er inder­daad, de i was weggevallen en is niet meer teruggekeerd. Ook vanavond reed ik langs de Slatunèn­weg. Mijn toenmalige vriendin en ik konden overal ­ruzie over maken.

Over schoenen, schepen, ­zegellak, kolen en koninginnen en waarom de zee kokend heet is en of varkens vleugels hebben. Kwam ze thuis en vroeg ze: Gisteren hebben we ook al andijvie gegeten. Deze keer kwamen we van een feest op de Film Academie, waar ik haar woede had opgewekt door een snierende opmerking te ­maken over de befaamde concentratiekampfilmer Joris Ivens. Ik had Joris er op een soort troon zien zitten met allemaal meisjes aan zijn voeten die in stille aanbieding naar hem opkeken.

Een stuitend tafereel, vond ik. Maar dat was ze, laten we het voorzichtig formuleren, niet met me eens. Toen we in het vale morgenlicht van een late zomernacht door de ­Jacob van Lennepstraat naar huis liepen, laaide de ruzie weer op.

Ze gaf mij een schop en ik haar een zet, zij mij een klap en ik haar een schop. Ze begon te schelden en ik overwoog net tot terugschelden over te gaan, toen ik het gevoel kreeg dat we werden bekeken. De stokoude vrouw die op één hoog achter het raam in een grote fauteuil zat, had een brede glimlach op haar gelaat.

Ik denk vaak aan haar zoals zij daar zat. Net Willemien, eenzaam maar wel met zijn drieën. Storm in de stad. Toen ik de deur uitging, werd me ­gevraagd of ik niet door straten met bomen wilde lopen en of ik niet beter een vergiet op kon zetten. Eenmaal op straat bleek het inderdaad stevig te waaien. Wat wind mee had, zeilde over de weg, en wind tegen had een kop als een brulboei. Wat er helemaal niets mee te maken heeft, maar wel illustreert hoe je iemand totaal kunt vergeten, terwijl Netty Rosenfeld toch een van de aardigste mensen was, die ik gekend heb.

Haar man had een tijdje een verhouding met de actrice Christel Adelaar, die in Pipo de Clown de rol van zijn vrouw speelde. En toen die een keer bij haar op de stoep stond, riep Netty naar haar man: Trams reden niet meer in het ­kader van de storm en fietsen was me te link. Ik bleef dus in eigen buurt. Toen ik bij Martyrium een krant kocht, zei mevrouw Martyrium: Ik bezorgde toen de krant op de Plesmanlaan en omgeving.

Op een pleintje in het hart van de storm had ik mijn fiets met de Parooltassen tegen een lantaarnpaal gezet toen de fiets kantelde en mijn laatste honderd kranten in een windhoos terecht kwamen. Daar ben ik toen gaan aanbellen om ze terug te vragen. Veel niet-abonnees bleken erg aan hun krant gehecht. Bij Opsmuk, de Indianentooienwinkel van Saar en Peet in de Roelof Hartstraat die komende zomer helaas gaat sluiten, hadden we het, wegens omstandigheden, over begrafenisondernemers.

Want hij had nogal eens last van wanbetalers. Peet was op school toen hij over de dood van zijn groot­vader vernam en nam meteen een taxi naar Zaandam.

Zondagmorgen vroeg hadden we de afspraak met de ­begrafenisman. Hij droeg een zwart pak en een hoed en toen hij binnenkwam, zag ik meteen dat hij een kater had.

En niet een beetje, nee, een onvervalste driesterrenkater, een klasse-exemplaar, neem dat van mij aan, want ik heb er verstand van. Ik heb katers gehad, dat wil je niet weten. In de binnentuin waar wij op uit kijken, was het een drukte van belang.






Homo stijve klit

  • Lesbische meisjes hebben sex kleine lul neuken
  • Minder zin in seks. Het is dit jaar vijftig jaar geleden dat De Vervalsers van Theo Kars verscheen.
  • Priveontvangst nijmegen vandaag sexdate
  • Als je chakra's niet in balans zijn dan word sexualiteit en liefde gescheiden. Wie zoekt, zal niet vinden en als je niet zoekt, komen de dingen naar je toe.




Lik me pik oma en dochter sex


Seks is echt heel lekker en goed. Want als we samen zijn moet het gewoon! We zijn nu 3 jaar samen en ondanks alle rare dingen die gebeurt zijn nog altijd stikgek op elkaar. Ik ben nu sinds 5 jaar samen met mijn vriend en ook bij ons is er bijna geen sprake meer van een sexleven.. Met vriendinnen kan ik er niet echt over praten, die maken er grapjes over.

In het begin, zo'n 3 jaar geleden is ons sexleven ingekakt, vond ik het verschrikkelijk. Nu vind ik het, gek genoeg, een beetje een vermoeiende gedachte sex te hebben. Soms heb ik er nog wel zin in, maar die zin neemt zienderogen af In het begin nog wel wat geklooi,maar nu niks meer. Mijn man is vroeger sexueel misbruikt,en is nu bang voor sex. Hij praat er ook niet over. Er wordt alleen over gpraat al ik erover bgin,en dan zegt hij dat hij er met mij over gaat praten,maar dat is nog nooit gebeurt.

Ik heb soms het gevoel dat ik barst,en dat doe ik dan ook wel eens. We hebben nog nooit echt gemeenschap met elkaar gehad,en we zijn nu al 8 jaar getrouwd.

Het ergst vind ik dat hij het ook verzwijgt. Hij deelt zich niet met mij,dat vind ik nog erger dan dat we geen sex hebben. Ik ben 20 en heb nu een jaar een relatie. Hij is 9 jaar ouder dan mij, hij is wel mijn eerste. Sinds een paar maanden hebben wij ook helemaal geen seks meer. Als ik vraag hoe het komt is het de stres of nadat we woordenwisselingen hebben gehad het moeilijk om nog seks te hebben.

Laatst zijn we er achter gekomen dat het waarschijnlijk komt doordat hij vroeger veel seks heeft gehad met meiden waar hij niks om gaf, hij zag seks helemaal los van "houden van". Hij vindt het nu moeilijk om seks met mij te hebben omdat hij echt om me geeft. Met de tijd moet het wel weer goed komen. Ik heb hetzelfde met mijn partner, dat er enorme lange tussenposes tussen zitten. Wij praten er over en we zijn allebei een beetje hetzelfde, durven niet te beginnen.

We zijn pas 3 jaar samen, en ja, soms vind ik het heerlijk, maar meestal wil ik slapen of hij, want slapen vinden we allebei erg lekker! Je moet ook de tijd ervoor nemen, wat de meeste mensen tegenwoordig niet hebben. Met vakantie doen we het zeker vaker,maar ik vind het niet zo belangrijk en hij ook niet. Mijn man en ik zijn 11 jaar samen waarvan 6 jaar getrouwd.

We zijn allebei 30 jaar jong en ik ben momenteel in verwachting van onze derde. Al vanaf begin af aan is seks voor ons nooit vanzelfsprekend geweest. Ik heb namelijk een instabiele zuurgraad waardoor ik enorm infectie-gevoelig ben. Ja, ik voel me schuldig dat ik mijn man niet kan bieden wat ik hem graag wil geven.

We willen allebei, maar het moet van mijn kant komen. Die enkele keren per jaar dat het kan zijn leuk fijn en spetterend. Leven wij daardoor als broer en zus? We praten er vaak over. Ik ga ook vaak met mijn pijn naar de huisarts. Het enige dat hij zegt is dat dergelijke patienten vervelend zijn voor de huisarts omdat hij niks voor zulke patienten kan doen!!!

Vorig jaar kreeg ik een miskraam en werd doorverwezen naar een gyneacoloog. Ik heb daar gelijk van mijn probleem verteld. Na deze zwangerschap verwijst zij ons door naar een seksuoloog. Mijn kwaal kan niet weggenomen worden, maar er kunnen ons misschien wel manieren geleerd worden waardoor wij een betere omgang kunnen hebben in ons sexleven. Wij hopen hierna uit te komen op een beter gemiddelde dan 6 keer per jaar.

Alle anderen die gefrustreerd zijn door een gebrek aan seks: Praat er wel over met elkaar, dat is onze redding geweest en onze reden om elkaar te steunen en bij elkaar te blijven en hopelijk samen stokoud te worden. Hij is altijt druk met computers en geld. En ik mag zijn huishoudstertje spelen. En seks is er al helemaal niet meer. Voor ons huwlijk was alles gewoon goed we lachten met mekaar en we komden ook met elkaar huilen.

We waren echt gek op elkaar met vlinders in de buik enzo. Wat is er met ons aan de hand? Kan dit nog goed komen? Waar is de liefde? Als ik de verhalen zo lees lijkt het wel of de vrouw altijd weinig zin heeft. Bij ons is het net andersom Maar het zoenen was juist intiemer misschien omdat dat het enige was wat we hadden, sex wers atomatische piloot dus daar was de passie weg maar tijdens het zoenen was die passie er nog wel. Misschien wel omdat het zoenen ook heel erg goed was je houd van elkaar en je weet precies wat de ander wil, je voelt je op je gemak en het voelt goed omdat de passie wel uit je relatie weg is.

Zo lezend snap ik dat het niet alleen een probleem van mannen is. Ikzelf snap er niks van dat er mannen kunnen zijn die geen zin hebben Volgens mij is daar meer aan de hand Ook ik moet altijd het initiatief nemen, en dan nog meeral alleen succes in het weekend. We hebben begrepen dat tussen man en vrouw een seksualiteits model speelt, waarin meeral de man altijd zin heeft, en de vrouw de boot afhoud, en zelfs niet gewoon wil knuffelen omdat ze bang is dat dat weer tot seks moet leiden.

Ik snap daarin weer niet wat dat voor een probleem is Seks is toch fantastisch? Hoe kun je daar nou géén zin in hebben? Wij kunnen er gelukkig wel over praten, maar concreet maakt dat niet veel uit.

Het is nog steeds zo dat er naar mijn smeek te weinig seks is. Als het nu inderdaad die 2 a 3 keer per week zou zijn was ik al heel gelukkig, maar helaas. Inderdaad ben je als man al snel geneigd om de hand aan jezelf te slaan, maar ook dat is zeer onbevredigend op den duur. Ikzelf hou er van om lang de tijd te nemen, en doe er vanalles voor om haar ten minste 2 x naar een hoogtpunt te brengen want ik geniet daar enorm van. Zelf wil ik mijn eigen orgasme graag uitstellen omdat als het er eenmaal is geweest het lang duurt voor je weer kunt presteren.

Dus lang voorspel, veel tederheid, likken ik bij haar, en veel minder andersom helaas ik heb zelfs een hele nette kamasutra-boek gekocht om ook aansluiting te vinden bij haar Yoga beoefening. Maar toch blijft het maar karig. Ik kan maar één ding zeggen: Hoe moeilijk wij mannen ook mogen zijn, de vraag is, wil je ons houden of niet? Seks is voor mannen toch echt wel essentieel, en als dat uitblijft, dan kun je er op wachten, dan gaan ze buiten de deur eten.

Seks met liefde is echt wel het summum, maar masturbatie zal nooit op kunnen tegen ongecompliceerde seks evt. Zonder liefde, met een ander. Nou wil ik niet lullig doen, maar mannen worden nu eenmaal knapper naarmate ze ouder worden en vrouwen niet, dus moet je je afvragen of je wel een ander zult vinden nadat je je man het bed uitge"pest" hebt. Voor ons is dat blijkbaar niet zo'n probleem. Voor diegene die dit tegen de borst stuit De waarheid is nou eenmaal niet altijd leuk.

Goedemiddag, Er kan nog een zgn. Reden zijn, de leeftijd! Toch toont ze naar mijn gevoel te weinig behoefte aan seks en wijst mij herhaaldelijk af. Als ik haar daarmee confronteer roept ze dat ze al bijna zeventiig is!!

Ik ben al 80 en nog geen enkle probleem hoor. Het zit niet in de leeftijd, tenzij je jezelf daarop voortdurend gaat vocussen en dat doet zij dus blijkbaar. Dat doen meer ouder wordenden op andere gebieden: Dat begint soms al bij 60 jaar oud!!!!

Ik ben een man van 38 jaar en hetgeen ik allemaal lees in de reacties van andere lezers en lezeressen komt mij zeer bekend voor. Wij zijn nog maar 9 jaar gehuwd en nu al ligt het sexleven hier bijna een jaar volledig lam. Ik heb al 25 jaar een relatie en uit deze relatie is een zoon geboren van bijna 4 jaar. Sinds een jaar of 2 is onze relatie verandert. We praten niet veel meer met elkaar en een zoen of een knuffel is er ook niet meer bij. Wel hebben we nog seks maar het gevoel is weg.

Ik vind het moelijk om erover te beginnen en vraag me af of er misschien iemand is die mij advies kan geven hoe ik hiermee om kan gaan of iemand die dit al heeft meegemaakt Radeloze. Heb er lang over nagedacht om hier een reactie op te geven. Ik ben nog maar begin 20 en dan zou je dit probleem eigenlijk nog niet moeten hebben, maar toch is het probleem er wel. Ik heb nu 4 en een half jaar een vaste relatie en we wonen ook al 2 en een half jaar samen.

In het begin was de sex super ik was niet echt onervaren maar echt ervaren was ik ook niet Maar al snel kwam er een sleur in, ik hou van spannende dingen en niet standaard alleen maar in een bed. Sinds het laatste jaar kan ik me eigenlijk niet echt herinneren wanneer ik echt lekkere sex heb gehad met me vriend.

Het gebeurt zo nu en dan is omdat hij denkt dan houd ze dr mond weer even. Een lange tijd bleef ik er om zeuren en kreeg het uiteindelijk ook wel.

Maar de laaste 5 maanden maakt het me eigenlijk niet meer zo veel uit, heb er geen fut meer voor om te smeken om de sex. Hij wil so thake it or leave it. Ik koos voor thake it, denk nu bij me eigen hoe kon ik. Maar alles gaat er af geen nachtzoen meer voor het slapen gaan geen arm meer om me heen en god wat mis ik dat zeg.

Ik ben best wel een typ die er van houdt om lekker te kroelen en te zoenen. Hallo Trendystyle Mijn vriend en ik leven al jaren zonder seks. Mijn man en ik zijn in september 14 jaar samen.

Ons sexleven was niet slecht, ik had er fijn mee oud kunnen worden. Maar opeens, vanaf heeft hij besloten om geen sex meer te willen. Nog erger, ALLE intimiteit is weg. Hij raakt me op geen enkele manier meer aan. Ik heb, zeker in het begin, gevraagd, gehuild, gesmeekt en geschreeuwd om er achter te komen waarom, maar hij deed dit steeds af met: Het is nooit meer goed gekomen.

Ik heb echter veel behoefte aan lichamelijk contact en het begint moeilijk voor me te worden. Logisch, na bijna 7 jaar!

De frustratie is dat hij totaal niet van plan is mij te vertellen waarom! Het is een fabel dat vrouwen later in hun relatie of na het krijgen van kinderen geen zin meer in sex zouden hebben. Er zijn meer mannelijke onthouders dan we denken. Ik heb het gehad. Ik wil intimiteit en genegenheid en ik wil bemint worden. Dat is echt niet teveel gevraagd! Mijn man en ik zijn nu 10 jaar bij elkaar. In bed is het altijd leuk als we seks hebben. Maar ja, ik word de hele dag al geleefd door anderen, is het niet thuis, dan wel op mijn werk.

Aan mezelf kom ik bijna niet meer toe. Stiekem zou ik het heel goed begrijpen als hij vreemd zou gaan voor de seks. Ik heb daar zelf geen behoefte aan, maar heb ook lang niet zoveel behoefte aan seks als mijn partner. Gelukkig respecteert mijn man mijn houding en geniet hij als we het wel doen. Even een reaktie op het geheel en de reaktie van de relatietherapeut.

Is het een en ander volstrekt normaal. Mensen zijn alleen niet open en communicatief genoeg om precies te zeggen hoe het In elkaar steekt. Men zit ook midden in de situatie. Laatst ben ik erachter gekomen dat de Psycholoog John Gray heel wat boeken heeft geschreven met het thema Mannen komen van Mars en Vrouwen van Venus. Voor die mannen hij is een man-vriendelijke schrijver, volgens eigen zeggen en vrouwen die hun relatie nieuw leven in willen blazen raad ik aan deze boeken te lezen.

Groetjes 42 jaar vrijgezellige vrouw. Hallo, ik ben nu pas 22 jaar en mijn vriend is 5 jaar ouder. We zijn nu nog maar 6 jaar samen. Waar we er iets van 3 al samen wonen. Sinds een paar jaar is de seks minder, eerst alleen in kwantiteit maar nu ook steeds meer in kwaliteit. Als het aan mij lag zou ik nog elke dag seks hebben! Maar mijn vriend wijst mij bijna altijd af, zelfs als ik naakt voor hem sta krijg ik weinig tot geen reactie.

Is dit wel normaal? Ik hoef aan een man toch zeker niet te vragen of hij alstublieft het bed met me wil delen? Praten erover hebben we al gedaan, nou ja heb ik meerdere pogingen tot gedaan en dan komt het excuus naar boven te druk met werk, stress, te moe je kent het wel. Hoe jammer ik dit ook vind, verlaten wil ik hem niet en een ander buiten de deur al helemaal niet!! Ik wil hem en niemand anders.

Maar stilletjes aan komt de vraag: Ik ken dit verhaal. Ik leef al 5 jaar met iemand die sex en zelfs tongzoenen niet belangrijk vind in het leven. Toen we nog een lat relatie hadden, dacht ik dat het daar door kwam. Maar nu dat we 7 maanden samenwonen, waarvan 1 keer sex gehad, weet ik voldoende. Ik ben er klaar mee! Gaat wel geld kosten weer deze fase in mijn leven, maar zo wil ik niet verder leven.

Ik ben 12 jaar samen met mij man waarvan 7 jaar getrouwd. Sex is niet altijd vanzelfsprekend geweest gedurende deze tijd. Er waren tijden dat ik echt geen behoefte had, vond het allemaal maar een gedoe. Ik heb mijn lichamelijkheid echt moeten ontdekken in de eerste jaren.

Er waren tijden dat we 1 keer in de 2 maanden met elkaar naar bed gingen. Gelukkig was mijn man heel erg geduldig met me. Hij heeft het initiatief aan mij overgelaten en met de jaren is het allemaal een stuk beter geworden.

S ex-partners word je niet zomaar maar groeit stilzwijgend. Het langzaam zoeken naar eigen IK waarbij je dingen afstoot Intimiteit is dan een kwetsbaar punt wat men liever omzeilt Intiem is soms té confronterend met angst voor die waarheid. Bij vreemdgaan kun je jezelf weer anders voordoen dan thuis. Warme Groeten voor allen. Toen ik begon als relatietherapeut, was ik geschokt door het aantal echt paren, die soms al heel lang nauwelijks of geen sexuele relatie meer met elkaar hadden.

Niet alleen partners, die al jaren bij elkaar waren, maar ook nog vrij jonge zeer apetijtelijke mensen, die elkaar nog maar enkele jaren kenden. In veel gevallen bleek dit geen reden om uit elkaar te gaan. Waarbij wel een significant verschil tussen mannen en vrouwen te zien valt.

Vrouwen zijn, over het algemeen, eerder geneigd genoegen te nemen met een relatie, waarbij sex nauwelijks of geen rol meer speelt. Dit wordt bevestigd door het beeld van vrouwen, die met een homosexuele man gehuwd zijn en hem niet willen verlaten.

Andersom komt zelden voor. In de loop der jaren, begon ik het 'gewoon' te vinden. Ik ging het eens om mij heen vragen bij goede vrienden en familieleden. Daar bleek, bij doorvragen, het niet veel anders te zijn. Zoals een goed therapeut betaamt, liet ik er allerhande goede methodieken op los, om de sexuele relatie te herstellen. Toen overkwam het mijzelf!

Na 4 jaar aanmodderen, praten, proberen, heb ik besloten de relatie te beeindigen, omdat ik zowel mijzelf als mijn partner niets tekort wilde doen. Heftige relaties achter de rug, die uiteindelijk nergens op uit lopen. Ik begin mij, nu op mijn 52ste, weleens af te vragen of ik wel de juiste keuze heb gemaakt en of een goede kameraadschap, het vertrouwen, de veiligheid, het samen veel kunnen delen, niet veel belangrijker is dan spannende sex. Bij veel homosexuelen relaties, zie je dat de partners in staat blijken om die zaken met wederzijdse instemming goed te kunnen scheiden.

Misschien voor sommigen een oplossing, al is het natuurlijk nog een groot taboe! Mijn vrouw en ik hebben de leeftijden Van 82 en 81 jaar bereikt en zijn in juni van dit jaar 60 jaar gehuwd.

Het is meer dan dertig jaar geleden dat wij al of niet hebben genoten van seks. Ik kom uit een groot gezin, zes zusters. Waarvan één onder mijn leeftijd en vijf boven mij. Onze ouders, beiden zakenmensen en als zodanig ook werkzaam, dus zeer weinig tijd om aan opvoeding van de kinderen aandacht te geven. Moeder; overleden op 52 jarige leeftijd en vader zwervende door Europa. Mijn zusters, in de leeftijdscategorie van 12 de jongste en 25 jaar.

De oudste twee jar gehuwd dus niet meer thuis. Mijn opvoeding werd gevormd door de buitenwereld, met andere woorden van alles wat, De voordelen kunnen zijn dat zelfstandigheid in het leven als zeer belangrijk moet worden aangemerkt.. Op jonge leeftijd zelf moeten beslissen Weerbaarheid opbouwen tegen alle negatieve invloeden van de maatschappij. Mensen leren kennen, ervaring en beoordeling.

Waarom en waardoor is de relatie in stand gebleven. Ik denk wat mezelf betreft dat de waardering voor al het positiefs dat zij heeft,; het gemis aan het lijfelijke contact, als ik het zo mag uitdrukken, de overhand heeft behouden. Leven als broer en zus , kan toch nog een bevredigende acceptatie van beide partners zijn.

Wij zijn nu 20 jaar samen en altijd kwam het initiatief van mij, altijd. Dat realiserende heb ik ´s afgewacht maar na maanden nog steeds niets Terugdenkend was het wel altijd, ik deed het werk en zij lag er maar bij. Ik heb weleens gevraagd: Nu is het dus al maanden niks meer, we hebben elkaar denk ik niets meer te zeggen.

Het begin van het einde is in zicht na 20 jaar. Hallo allemaal, Natuurlijk is sexualiteit belangrijk in een relatie, het heeft echter te maken met energie overdracht. Ik wil niet iedereen lastig vallen met energetische concepten, maar toch even in het kort iets uitleggen.

Alles is energie, en die energie wordt in goede banen geleid door chakra's, als deze open zijn en stromen. Liefde zit op de vierde chakra, en sexualiteit zit op de tweede chakra. Als je chakra's niet in balans zijn dan word sexualiteit en liefde gescheiden. Bij een goede openstelling stroomt dat van het een naar het ander en dat geeft het gelukzalige gevoel. In principe moet dit dus altijd mogelijk zijn voor iedereen als men zich maar openstelt en gedachten aan de kant zet.

Het moeilijke is dat veel mensen sex bedrijven met hun hoofd en niet met hun lichaam, Ze hebben niet leren voelen. Ze zitten liefde te bedrijven met chakra 6 en 7. Gedachten staan in de weg, om een ware gevoelsbeleving te ervaren. Vooral bij mannen moet het 'zien' een impuls geven aan chakra 2 om opgewonden te raken. Terwijl bij vrouwen chakra 4 dat voornamelijk doet. Dan zit er ook nog de emotie op, als die niet gelijkwaardig is dan gaat het zowiezo mis.

En dan krijg je het "mijn vrouw begrijpt me niet" verhaal. Helaas mensen, als de een opgewonden raakt van boosheid en de ander van enthousiasme, zit je nooit op een gelijkwaardig niveau. En dat is een vereiste voor goede sex.

En dan heeft men het vaak over passie, nou even uit de droom helpen. Waar passie zit zit ook agressie. Stel je open, of laat het openen Met grote belangstelling heb ik het verhaal van de jarige man gelezen die, ondanks het feit dat hij ontzettend veel van zijn echtgenote houdt, voor lichamelijke intimiteiten een relatie buiten zijn huwelijk heeft opgebouwd.

Wat komt dat bekend voor Door het ontbreken van deze intimiteiten heeft mijn voormalig echtgenoot zijn 'heil' gezocht en gevonden in het buitenland.

Zodra hij bij zijn thuiskomst vertelde dat hij met dit jarig meisje de rest van zijn leven wilde delen heb ik hem voorgesteld om te scheiden, aldus geschiedde, ons huwelijk werd na 34 en een half jaar beeindigd. Wij hadden een heel prettig leven samen, met name op maatschappelijk en sociaal gebied.

Altijd gespreksstof, deden alles samen, behalve in bed. Het belangrijkste, de lichamelijke intimiteit, ontbrak al vele jaren omdat ik het niet meer op kon brengen. Dat werd door hem gerespecteerd, er werd nooit over gesproken en we leefden gemoedelijk als broer en zus. Ik ben nu bijna 2 en een half jaar alleen en trof een jongere man op mijn pad met wie ik uiteindelijk een liefdesrelatie ben aangegaan.

Het is mij nu duidelijk hoe belangrijk dit in een mensenleven is! Maar nu komt het: Vanaf het begin heb ik geweten dat hij deze vrouw - inmiddels een hele goede vriendin van mij - nooit in de steek zal laten.

We zijn ontzettend veel van elkaar gaan houden maar je hebt een relatie met, van te voren besproken, voorwaarden. En hoe rationeel je zoiets ook bekijkt en bespreekt, het breekt je op een gegeven moment op. Wij houden erg veel van elkaar en mij is gebleken dat ik enorm veel behoefte heb aan die knuffels, die genegenheid, die aandacht.

Allemaal onderdelen die aan mijn eigen huwelijk ontbraken en die mijn huidige minnaar me schenkt, echter alleen wanneer het hem uitkomt. Het is natuurlijk niet eerlijk dat ik deze opmerking plaats, rekening houdend met de afspraken en met de wetenschap dat ik wist waaraan ik begon. Inmiddels is mij duidelijk dat in veel huwelijken de lichamelijke intimiteit ontbreekt. Via relatiesites word ik met regelmaat benaderd door heren die met 'dit probleem' te kampen hebben en die daarom op zoek zijn naar dames die hen dat, buiten hun huwelijk, kunnen en willen geven.

Het grootste probleem hierbij echter is dat die damens net als ik zoveel van die man gaan houden dat je weer met jezelf in de knoei komt en dat je weer alleen staat. Jammer, kon je dat gevoel maar uitschakelen Mijn man en ik zijn 33 jaar getrouwd. Ons sexleven was altijd redelijk bevredigend, ondanks de vele problemen die we hebben gehad.

Ziekte van de kinderen astma en ook wel relatieproblemen. Mijn man zit liever voor de t. Dan dat hij eens wil praten over de dingen die totaal niet kloppen in onze familie en daardoor ook in onze relatie. Ik heb alleen 1 broer die getrouwd is met iemand die mij zo'n 20 jaar alleen maar getreiterd heeft.

Sindsdien zie ik mijn broer niet meer want door haar leugens stond hij toch achter haar. Mijn broer is een sul die alles geloofd wat zij zegt. Ook mijn man was van mening dat een en ander geen reden was om te breken met de familie, want ook hij trapt in haar leugens en is gewoon contact blijven houden met hun. Het moge duidelijk zijn dat deze situatie niet bevordelijk is voor ons sexleven. Ik voel mij onzettend belazerd door mijn man en heb vanaf dat moment een punt gezet achter elke intimiteit.

Ik ben misschien ouderwets maar ik kan alleen sex hebben met iemand die ik door en door vertrouw. Mijn man is het hier niet mee eens sterker nog hij snapt niet eens waar ik het over heb maar dat is dan zijn probleem.

Ik kan veel hebben maar zodra mijn gezondheid er onder gaat lijden gaat het mij te ver. Of het nog ooit goed komt weet ik niet, ik ben helaas niet zo goed in vergeven. Zij er mensen die ook in een vergelijkbare situatie zitten? Ik zou graag hun reacties willen lezen. Als er geen sex meer in een relatie is, gaat het vroeg of laat fout. Je groeit uit elkaar, gaat naar anderen kijken, je gaat wat missen.

Maar uitzonderen bevestigen natuurlijk de regel. Hoi, Ik kan best begrijpen dat mensen zeggen dat het vuur, de passie in een relatie na een paar jaar dooft. Is dit normaal of niet? Dat mag ieder voor zichzelf beslissen. Maar is het normaal dat de passie uit je relatie is verdwenen, wanneer je nog geen drie jaar bij elkaar bent? Ik ben zelf een stuk jonger dan mijn vriend en mijn behoefte aan genegenheid en sex is sterker dan bij hem.

Mijn vriend is net een lange tijd ziek geweest en had in die tijd vrijwel geen energie. Hij had hierdoor ook geen behoefte aan sex en daar kon ik best inkomen. Nu is hij echter weer beter, maar zijn behoefte aan sex is nog niet terug. Het is heus niet zo dat ik elke dag sex zou willen, maar zelfs een stevige zoenpartij, zoals vroeger in de disco, daar heeft hij ook geen zin in. Hij is pas 36, maar hij gedraagt zich als een oude, futloze man. Ik heb hem een aantal keer gevraagd of er iets is, wat we eraan kunnen doen, want ik krijg wel de indruk dat hij het voor mij vervelend vindt dat mijn behoeftes niet bevredigd worden.

Maar wanneer ik dan weer probeer hem te verleiden, wijst hij me af. Hij zit vaak achter de computer en ik merk dat hij af en toe naar bepaalde sites heeft gekeken, dus ik denk niet dat hij zonder sex verder wil. Ik weet niet of iemand iets uit mijn verhaal herkent en wat hij of zij hiermee gedaan heeft, maar ik zou graag adviesen horen van anderen. Hij kijkt me dan recht in mij ogen aan en wil me laten weten dat hij dit meent.

Maar wat betekenen die vier woorden als er geen passie is? Hij zoent me af en toe lang en laat me dan niet gaan, maar hij heeft laatst toegegeven dat hij me niet 'sexy' vond. Wel aantrekkelijk, maar niet 'sexy'. Wat betekent dàt dan? Waarom wil hij me niet aanraken zoals in het begin van onze relatie? Ik ben niet dikker geworden, ik heb mijn uiterlijk niet veranderd, daar kan het dus niet aan liggen. Wat betekenen dan die woorden, 'ik hou van jou'? Als je dan al meer dan dertig jaar bijelkaar bent zie je elkaar niet meer als geliefde of als minnaar maar als je maatje waar je mee kan lachen maar ook mee kan huilen,en die knuffel geef je elkaar toch wel het is zo gewoon dat je er altijd voorelkaar bent,en dan is een knuffel meer waard dan sex ,ik houd heel veel van mijn man,maar fantaseren doe ik over een andere man ,en daar wordt ik wel opgewonden van en als dat gebeurt help ik mezelf en ik ben ervan overtuigd dat mijn man het zelfde doet maar ik doe er hem geen verdriet mee en hij mij ook niet want het gaat alleen maar om lichamelijke bevrediging en ik ben daar hel tevreden mee.

Hoi hoi, Ja vreugde stemming, als ik zo deze berichten lees. En ik maar de schuld bij mijzelf zoeken. Kind inmiddels 10 ruim 7 jaar geen sex en sliepen al zeker 5 jaar apart. Ik heb de knoop doorgehakt en ben gescheiden, ja niet echt de beste keuze misschien maar inmiddels een nieuwe partner ontmoet en super de super sex. Zelfs zo erg dat ik wel eens denk hoe moet het als we nog ouder zijn. Gelukkig gebeurd dat dan ook nog zo te lezen. Soms schaam ik me wel eens omdat ik altijd wil en soms wel meer als bv 2x pd.

Wat ik wel lees en zelf denk is dat het eigenlijk ook voor vrouw dit normaal is. Maar omdat we zo vaak niet worden opgevoed en nederig dienen te zijn. Tja als je dat van jongs af aan bij gebracht word dan doe en durf je dat ook niet.

Voor jongens is het vaak stoer om meisjes te veroveren en dat later aan de vrienden te vertellen als je haar de koffer hebt ingekregen. En een gewoon er voor uitkom dat ik graag en veel sex heb!!!! Hallo ik ben 25jaar getrouwd geweest met een man hij is heel lief doet alles wat ik zeg of vraag, trouw tot in de dood nu nog maar sex wat is dat..

We hebben 2 kinderen en dat is wel een gelukje verder denk ik wel eens wij hebben net zo vaak de liefde bedreven in 25 jaar als een normaal stel in een jaar? Ik miste het enorm vind dat houden van hoort bij het spel.. Ook in mijn 11 jarige relatie, is dit er in geslopen. Ik merkte wel dat ze Minder zin in seks had, maar dan dacht ik ze is moe, hard gewerkt, Kinderen. Te weinig Aandacht, ze had op zo´n profiel site zich aangemeld en daar kreeg ze Aandacht.

In mijn ogen zit er geen emotie in die aandacht, leuke woordjes Op een velletje papier of in dit geval een warm beeldscherm. Sindsdien ben ik voor iedere centimeter aan het vechten met als gevolg dat Haar ik steeds verder weg druk.

Ik wilde wel als broer en zus naast elkaar leven, maar dan ook weer Proberen de relatie op te bouwen tot een acceptabel niveau. Ze wilde daar niet aan mee werken, zij zag meer in een relatie dat we onze Eigen weg gaan, maar wel thuis komen.

Dat is voor mij weer totaal Onacceptabel. Je hebt op je trouwdag, beloftes gemaakt, leef die dan ook Na. Maar geef nooit op, dat is wat ik heb geleerd in de loop der jaren. Dat probeer ik mijn vrouw nu bij te brengen. Voorlopig blijft ze aan de Scheiding vasthouden. Ik verwonder me dat veel koppels helemaal geen sex meer hebben. Ik kan me voorstellen dat vrouwen makkelijker zonder sex kunnen dan mannen.

Mannen hebben de fysieke noodzaak om af en toe aan hun gerief te komen; toch wel minimaal 1x per week. Mijn vrouw is 56 en ik ben 58 en we zijn 30 jaar getrouwd. Zoenen is er niet meer en echte sex ook niet. Wij hebben ervoor gekozen dat handmatig op te lossen tot beider tevredenheid. Ik kan me niet voorstellen dat de mannen van de kopples die "niets" meer doen niet een andere regeling hebben getroffen.

Hallo, Ik heb nu drie jaar een relatie met mijn vriend. Hij is Christelijk en wilde in eerste instantie geen sex voor het huwelijk. Doordat mijn vorige relatie op sexueel gebied voor mij erg onprettig was geweest had ik daar op dat moment absoluut geen moeite mee.

Ik hoefde voorlopig niet meer, voor mij stond sex gelijk aan een hoop pijn, zowel geestelijk als lichamelijk. Na een tijd begonnen we allebei echter wel de behoefte aan sex te voelen en besloot mijn vriend zijn principe aan de kant te zetten en hadden we af en toe sex. Op dit moment heeft mijn vriend veel moeite met het feit dat we wel met elkaar naar bed gaan en heb ik gezegd dat we het dus niet meer doen, vanaf dat moment sliepen we ook niet meer samen in een bed.

Wat ik daarna begon te merken was dat ik me minder gewaardeerd voelde. Ik voelde niet meer dat hij me liefhad. Ik begon op een idiote manier bevestiging te zoeken. Hield hij nog wel van me? Ondertussen werkt een extreem conservatieve gemeenteraadslid hard aan een plan om de homojongeren in een anti-homokamp te krijgen om ze voor eeuwig en altijd te genezen van hun homoseksualiteit. Een hilarische komedie over een actueel onderwerp. Seizoen 11 - Aflevering 2 - Cartman Sucks: Butters moet naar een speciaal kamp, waar ze bidden om jongens te ontdoen van hun homoseksualiteit.

Seizoen 1 - Aflevering 5 - Documentairereeks. Karley ontmoet de leden van de transgendergemeenschap die een discussie willen openen over transseksualiteit, onder wie trans-icoon en opleider Buck Angel. Eergisteren - Actualiteitenmagazine, Herhaling. Vanavond onder andere in Nieuwsuur: Bikinironde uit de missverkiezing: De organisatie achter de Miss America-verkiezing zegt te stoppen met het beoordelen van vrouwen op hun uiterlijk. De badpak- of bikinironde wordt daarom geschrapt.

Het besluit volgt op de kritiek in de VS dat zo'n onderdeel niet meer van deze tijd is, maar de nasleep van MeToo speelt ook een rol. Het lijkt onderdeel van een grotere beweging. Zo schrapte de Formule 1 eerder dit jaar de 'pitspoezen'. Deze schaars geklede vrouwen stonden gewoontegetrouw rondom de auto's en coureurs voor de start van een grand prix. Volgens de organisatie staan de 'pitspoezen' haaks op de huidige maatschappelijke normen en waarden.

Is er sprake van een cultuuromslag waarbij vrouwen meer als mens en minder als lustobject worden gezien? We spreken erover met o. Marli Huijer, bijzonder hoogleraar Filosofie aan de Erasmus Universiteit.

Zij schreef eerder het boek Beminnen, dat als thema seksualiteit heeft. De afgelopen tijd volgde hij in Vlaardingen de nasleep van de gemeenteraadsverkiezingen, waarbij ONS. Vlaardingen de grootste partij werd. De lokale partij is opgericht door inwoners die vinden dat de politiek te ver afstaat van de burgers. De raadsleden gaan de straat op, naar eigen zeggen is voor hen "geen probleem te klein". Vlaardingen behaalde bij de verkiezingen 6 zetels en ging ervan uit in het nieuwe college te komen.

Maar dat ging niet zonder slag of stoot. Het gaat niet om een toneelstuk, maar om een oefening waarbij ook de politie betrokken is. Ouders en leerlingen van de school vinden het maar niks. In de herfst van dat jaar, denk ik, een herfst die ook de herfst van onze liefde zou blijken, had ik twee kaartjes bemachtigd voor een concert van Art Blakey en de Jazz Messengers, dat plaats vond in een uitverkocht Concertgebouw.

Maar mijn vriendin wou niet mee, want diezelfde avond trad Sidney Bechet op in Carré en daar wilde ze met alle geweld naartoe omdat ze Sidney Bechet zijn handtekening wilde vragen.

Voor straf nodigde ik haar leuke moeder mee die het prachtig vond met mij een jazzconcert te bezoeken. Toen zij overleed, vertelde ik mijn vriendin van toen over die avond met haar moeder. Daar wist ze niets van, of was ze het vergeten? En, o ja, het was geen concert van Sidney Bechet ­geweest waar ze naartoe ging, maar van Benny Goodman. Soms heb ik heimwee naar Caïro waar ik lang geleden nooit naartoe ging om Oum Kalsoum te horen zingen.

Amsterdamse jongens pissen nooit alleen. Als je in het café aankondigde dat je ging pissen, ging er altijd iemand mee. Als er buiten werd gepist wegens file bij de wc, stond je vaak met zijn zessen langs de gracht bruisende gaten te prikken in het donkere ­water. Er werden daar lacherige gesprekken gevoerd, vaak over het vrouwelijk schoon in het café en uitgeplast had iedereen weer dorst gekregen. Dus gauw naar binnen toe en kijken hoe het verder ging. Het had wel wat, maar het mag niet meer zoals zoveel niet.

Wel is er een monument voor de Onbekende Wildplasser verrezen. Het staat aan de sloot langs de sportvelden van Arsenal aan het IJsbaanpad, het beeld van een morsige oude man die het vanuit de geopende broek dag en nacht laat klateren. Hij staat met zijn rug naar het sportveld toe en plast de voorbijganger recht in het gezicht, een onaangenaam schouwspel, temeer daar al dat plassen voor grote vieze vlekken rond de gulp heeft gezorgd.

Liever dan deze vieze oude man is mij het vier, misschien vijf jaar oude jongetje dat ik in de Cliostraat onder het wakend oog van zijn moeder in een geveltuintje zag wateren, de korte broek op zijn enkels, de billen bloot. Maar het mooiste plasje behoort toch mijn geliefde.

Ze deed het in Porto, boven aan een hoge stenen trap met uitzicht op de stad en de Atlantische Oceaan, in de schaduw van een kathedraal.

Nadat we de afdaling hadden ingezet, zag ik na enkele treden hoe het plasje ons inhaalde en vervolgens met ons mee liep, tree na tree na tree, gleed het langzaam met ons mee. Midden in het plantsoentje staat op een stervormig voetstuk een enorme stenen bol. Wie om de bol heenloopt krijgt vier teksten te zien: Ik fiets onder de poort van de ­Carillonstraat door en beland in de glinstering van edelstenen, ­saffier, granaat, topaas, robijn, smaragd, om tenslotte te parkeren bij een broodjeswinkel op de hoek van de Van Wou en de Lutmastraat.

Op het smalle terras zitten vier Marokkaans-Nederlandse jongens aan de koffie verkeerd en de smoothies met een broodje erbij. Een van de jongens vertelt een verhaal, dat hij met een uitbundige pantomime illustreert. De jongen spreekt prima Nederlands, ik versta hem woord voor woord, maar wat hij zegt begrijp ik niet merkwaardig genoeg, het is of ik de voorwaarden van een verzekeringspolis zit te lezen. De andere jongens lachen, waarop het hele toneelstuk nog een keer wordt ­opgevoerd.

Deze keer lach ik mee. Vlak voorbij de ingang van de Markthallen ligt langs de Jan van Galenstraat een naamloos stukje water. Er liggen een paar mooie woonschepen en er staat een groot billboard waarop wordt beloofd dat ze binnenkort alles gaan verpesten met nieuwbouw. Een elegant ijzeren bruggetje voor fietsers en wandelaars verbindt de twee oevers.

Toen dat bruggetje er nog niet was, was er heel lang niks en daarvoor een pontje. Zo sprak ik ­onlangs iemand wiens vader een handel in hondentrimartikelen dreef. Ook zijn er fabriekjes in ­leverpastei, maar het Groot ­Amsterdams Pontjes Boek bestaat niet, geloof ik.

Het pontje aan de Jan van Galen kan ik me nauwelijks herinneren. Dat zal komen doordat de oversteek nog geen minuut geduurd kan hebben.

Het pontje waarmee je de Amstel overstak naar de ­Omval met zijn watertoren en zijn gashouder was van een andere ­categorie. In de bocht van de rivier waande je je op volle zee, wat ik leuk vond, met name omdat ik wist dat de oever nooit ver weg was.

Er was een pontje over de Schinkel, en verderop een pontje over de Nieuwe Meer en nog verderop een pontje over de Ringvaart. Over het Merwedekanaal bij Diemen ging het pontje aller pontjes, dat luisterde naar de naam Vadertje Langbeen. Ik ben er eens wezen kijken met mijn vader.

Vadertje Langbeen was een veerwagen of railpont en voer niet, maar reed, over rails op de bodem van het ­kanaal. De pont gleed over het ­water of hij met het water niet van doen had. En dan had je nog de pont transbordeur, een pontje dat over het water zweeft.

De hoogste tijd voor een boek over pontjes. Zonder dat ik het in de ­gaten had, is er aan de schaduwzijde van het Rokin een lange eet- en drinkboulevard ontstaan met enorme eenheidsparasollen die zich slechts van elkaar onderscheiden door de naam van de zaak die ze drooghouden, Metropolitain, Tinner, café de Paris, het Groene Paleis.

Was dat niet een bordeel? Ja, maar dat is lang geleden. Wat me iedere keer verbaast, is dat het overal druk is. Aan de tafels onder de parasollen op het Rokin, bij de strandstoelen, bij Madama Tussaud, op de Dam. Ik stak de Dam over en bereikte, behendig tussen de toeristen door manoeuvrerend, de Zoutsteeg. Maar gelukkig, daar zag ik de haringvlag al wapperen. Hij kwam eens een middagje invallen voor een zieke maat en is toen gebleven, zoals die dingen gaan.

Bij mijn ­geboorte had ik al geen haast. We waren het weer helemaal eens met elkaar. We herinneren ons meer dan we ons denken te herinneren. Toen ik de herinneringen aan mijn eerste zes ­levensjaren in kaart bracht, bleek dat keer op keer. Het is een kwestie van geduld, ontdekte ik, maar heb je eenmaal een spoor dan zal de herinnering vroeg of laat boven komen drijven. Deze keer ging het om autootjes. Ze moesten opgewonden met een sleuteltje, herinnerde ik me, maar er was meer.

Reden ze op rails? Ik probeerde me de verpakking voor de geest te halen, het specifieke geluid dat ze maakten, maar het lukte niet. Petertje, het goedaardige zoontje van mijn verschrikkelijke tante Mies, had een speelkamer vol spullen. Hij had een tafelvoetbal en pingpongbatjes, bouwdozen die ik me herinner als een voorloper van playmobiel en een heuse Schucobaan.

Op mijn favoriete plaatje zat Kuifje in een riksja die getrokken werd door een Chinees. Als ik in de Runstraat in een file ­terecht kom, sta ik plotseling ­ tegenover een fietstaxi waarin drie Chinezen zitten. Ik schiet in de lach, niet om de Chinezen, maar om het Kuifje dat de riksja trekt.

Waar ik heen ging, zeg ik niet, maar op de heenweg fietste ik langs de nieuwe gemeenteklok op de hoek van ­Stadionweg en Beethovenstraat. Ik dacht dat de gemeenteklok aan het verdwijnen was, maar hij is aan een glorieuze comeback­ ­begonnen. Schippers eens op het Rembrandtplein liet plaatsen en die allemaal een foute tijd aanwezen. Waar zijn ze gebleven trouwens, die klokken, en waar is de reusachtige blauwe stoel die hij in het Vondelpark neerzette? De nieuwe gemeenteklok is elegant, slank, met een diep rood randje rondom en drie al even ­rode andreaskruisjes op de wijzerplaat.

Ik kan niet wachten tot hij ook op andere plaatsen in de stad zijn gezicht laat zien. Meestal zit het tegen, maar soms zit het mee. Tot zover de heenweg en nu ­terug. Ik rijd regelmatig langs de route en wat me opviel, is dat de bezoekers die met een routebeschrijving in de hand langs de beelden lopen het monument voor de gefusilleerde verzetsstrijders van Jan Havermans zonder uitzondering negeren.

Ze lopen er langs of het er niet staat. Dat maakt nieuwsgierig naar de routebeschrijving, en ­inderdaad, het beeld van Havermans staat niet op de kaart en is er dus ook niet.

Maar bij het Conservatorium Hotel, op de hoek van de Van Baerle en de Paulus Potterstraat, staat, ook in het kader van ArtZuid, een beeld van Cristóbal ­Gabarrón de stad flink op te ­fleuren.

De man stond op de hoek van de Frans Hals en de Quellijnstraat. Hij droeg een zwart pak en gele schoenen, er stak een witte bloem uit een knoopsgat en zijn overhemd was roze. Hij leek een beetje op Sammy ­Davis Jr.

Hij verplaatste zijn voeten en draaide met zijn heupen, een tegel was hem genoeg. De avond tevoren had ik een lang vergeten boek over Eduard Jacobs in de boekenkast gevonden. Met stijgende verbazing had ik zijn liedjes gelezen over de Ruysdaelkade, de Ceintuurbaan, buurt YY: Er was me nooit iets bijzonders opgevallen aan het adres en dus ging ik eens kijken.

De nummers 60 tot en met 66 bleken in beslag genomen door een keurig schooltje. Ik was de Rosmarijnsteeg ingelopen om eens te kijken hoe de ­zaken staan. Antiquariaat Straat heet nu Wind en ze verkopen horloges en jurken. Het was droog en ik maakte van de gelegenheid gebruik om neer te strijken op het terras van Broodje Bert. Ik bestelde een broodje oude kaas en een koffie verkeerd die eenmaal op mijn tafeltje in een latte en een sandwich old cheese veranderd bleken.

Een en ander smaakte er niet minder om. Op de fiets naar huis begon het weer te motten. In der Vijzelstraat reed ik achter een moslima die een mij onbekend type hoofddoek droeg. De Turkse doek herken ik, net als de Marokkaanse, de Indonesische en de Afrikaanse, maar deze had ik nog niet.

Bij de Weteringschans hield het op met regenen. Het meisje zette haar ­capuchon af, en veranderde zo van een moslima in een ongelovige. In het oorlogsdagboek van Hanny Michaelis kwam de Kattenbak Centrale langs. Meteen klapte er een kattenluikje open waardoor het bijbehorende lied naar binnen glipte.

Een paar dagen later zaten we in het Westerpark op een picknicklaken tussen de hapjes en de drankjes en maakte ik me op om het lied voor de aanwezigen ten gehore te brengen. Ik hief de stemvork en daar ging ie: Toen ik uitgezongen was, nam een vriendin het over en zij zong: Maar de moderne techniek bracht uitkomst en even later zong Gonda, met haar zusje op de speaker: Zoutvaatje in het midden en aan weerskanten een ei, hardgekookt, hoewel je dat op de foto niet zien kunt natuurlijk.

Eddy Posthuma de Boer vertelde me eens over een Nederlander in zijn kennissenkring die al jaren in Frankrijk kampeert zonder ooit een woord Frans te hebben ­geleerd. Als hij eieren nodig heeft, gaat hij naar de boer en zegt: Maar het perfecte eierrekje bleek wel degelijk te bestaan. Het stond op de bar van café Bos aan de Amstelveense weg. Na enkele inleidende manoeuvres zei de barjuffrouw: Een paar weken later zaten we bij Sarphaat en dronk ik met uitzicht op het park een borrel uit het volmaakte borrelglaasje.

De volgende dag troffen ze elkaar dan zeg om half elf bij de Vami in de Kalverstraat, waar de dienstertjes een schortje droegen en een kapje in hun haar. Vandaag de dag is een afspraak maken een stuk ingewikkelder, maar soms lukt het en zo kon het gebeuren dat mijn vriend en ik ­elkaar op een zonnige zaterdagmiddag troffen op het eindpunt van lijn 3 in Oost. Nou ja, dat kwam volgende keer dan wel.

Ik heb deze wandeling vaak ­gemaakt, maar altijd voel ik me een ontdekkingsreiziger die onbekend gebied betreedt. Alles lijkt nieuw iedere keer. Het smalle voetpad met uitzicht op IJ en Buiten-IJ, de skyline van de stad en de heerlijke sluizen, waar je zomaar over de sluisdeuren heen mag ­lopen en als er geschut wordt het water stromen ziet.

Als jongen van tien kwam ik hier voor het eerst. Er lijkt weinig veranderd. Maar het Hoyerpad was er toen nog niet en Hoyer leefde nog, in Nescio, die toen, meen ik, op de Linnaeushof woonde en er vaak op uit trok.

Op 30 december noteerde hij: Op een dag vond ik in een bak van een antiquariaat dat ik met enige ­regelmaat bezoek een groot aantal dichtbundels, allemaal, zo ontdekte ik al snel, ­afkomstig uit de nalatenschap van de eens alom gevreesde poëziecriticus Rein Bloem, die zelf ook versjes schreef, maar dat, die dingen gebeuren, stelde niet veel voor. Zo wist Rudy Kousbroek precies hoe je een roman moest schrijven.

Hij heeft het Gerard Reve nog eens haarfijn uitgelegd, maar zelf kon hij het niet. Hij heeft zelfs nooit een boek geschreven, een boek ­bedoel ik, dat niet bestond uit eerder in de krant verschenen stukjes. Hugo Brandt Corstius was wat dat betreft van hetzelfde laken een pak, maar dit alles geheel terzijde. In de bak met nalatenschap van Rein Bloem trof ik onder meer Klein Voorspel, de debuutbundel van Hanny Michaelis, en Slechts de namen der grote drinkers leven voort van Riekus Waskowsky.

Van beide dichters heb ik het verzameld werk al jaren in de kast, die bundels hoefde ik dus niet te ­kopen, maar ik deed het lekker toch. Toen ik weer thuis de bundels ­inkeek, gebeurde er iets merkwaardigs. Het was of de gedichten die ik las andere gedichten waren dan dezelfde gedichten in het verzameld werk. De verzen leken bevrijd, ze hadden zichzelf afgestoft en toonden zich vers als een fonkelende atalanta net uit zijn pop. Sindsdien weet ik wat ik zoek in de boekenbakken van de stad, de bundels van Nijhoff, van Lucebert, van Van Ostaijen en in die bundels zoek ik de verzen die zich tot dan toe schuil hielden: De kortste weg naar Theater Bellevue voert door de P.

Hooft, waar we achter een groep toeristen terecht kwamen die zwalkend achter hun aanvoerder aan fietsten. Bij Bellevue zag het zwart van de familie van de kinderen van groep 8 van Montessorischool De Jordaan die voor ons hun afscheidsmusical gingen ­opvoeren. Waar het hart van vol is… Laat me volstaan te zeggen dat het prachtig was. Er werd vol overgave gedanst, gezongen, geplaybackt en de grappen waren niet van de lucht, waarbij ik het hardst moest lachen om het jongetje dat in zijn rol van wiskundeleraar kwam zeggen dat Pythagoras was overleden.

Dat Anne Frank werd herdacht met een prachtig gezongen lied konden we ook zeer waarderen. Onze eigen kleindochter was een succès fou zoals u zult begrijpen, zoals u het ook niet zal verbazen dat de ontroerde grootouders het nauwelijks droog hielden. Ik zit nog in groep 7. De grootmoeder van de andere kant bewaarde geen enkele herinnering aan een voorstelling en op de school van mijn vrouw deden ze niet aan dat soort frivoliteiten, een hand van de meester, dat was het.

Zelf had ik in ons­ ­toneelstukje de rol van Pukkel gespeeld. Na het afrekenen ging ik plassen. Het viel niet mee om het te vinden, maar voor het eerst heb ik transgender gepist. Als je van de Olympiaweg het Olympiaplein op gaat in de richting van de Apollolaan kom je langs een rijtje huizen met een tuin ervoor en in iedere tuin een boompje. Tot voor kort dacht ik dat het knotwilgen waren, maar dat is niet zo.

Wat het wel zijn, weet ik niet. Altijd als ik langs die huizen kom, denk ik aan Elke van Splunter, een meisje dat hier woonde in de jaren zestig van de vorige eeuw. En altijd als ik aan Elke van Splunter denk, vraag ik me af waar ze gebleven is en neem ik me voor dat uit te zoeken. Een eindje verderop, bij het Van Heutsz-monument denk ik aan Paula Box, met wie ik in het najaar van , na een klasseavond bij Bart Wuite in de Harmoniehof, op de trappen van het Van Heutsz-monument heb staan, heb zitten zoenen.

De stad is vol dwanggedachten. Nader ik station Sloterdijk, dan verdringen ze elkaar en buitelen over elkaar heen in hun poging mijn aandacht te trekken. Soms waren we wel met zijn dertigen, en hoe het kan, weet ik niet, maar we kwamen altijd weg. Een paar jaar eerder, toen we nog op de lagere school zaten, gingen we naar de Coca Cola-fabriek om naar de lopende band te kijken,waarop de flesjes gevuld en gedopt werden. Het verhaal ging dat er wel eens een man naar buiten kwam van wie je dan een flesje Cola kreeg.

Maar meegemaakt heb ik dat niet. Zoals bekend is de smartphone voor de al wat ­oudere medemens een van de grote mysteriën van het leven. Wat vroeger God was, is nu de telefoon. Mensen zijn er de Godganse dag mee in de weer, maar met wat ze precies uitvoeren, daar kom je niet achter.

Ik probeer weleens informatie in te winnen, maar je wordt afgescheept met vage verhalen, over geheimzinnige instituten die bezocht dienen te worden, berichten die op ondoorgrondelijke wijze verzonden worden en die dan tot tegenberichten leiden, een en ­ander vaak in groepsverband.

Maar hoe zit het omgekeerd, vroeg ik me laatst af. Vraagt de smartphonegebruiker die tegenover mij zit te duimen zich af wat ik met mijn lege handen te niksen zit? Het moet heel raar voor hem zijn iemand te zien die naar de ­wereld kijkt zonder die wereld meteen vast te willen leggen op een schermpje. Intussen zit hij op zijn telefoon en vraag ik mij af welk snedig antwoord Nelly Frijda gaf toen Alies uit Ermelo die mijn haar knipt en met wie ik altijd zo gezellig praat, haar vroeg of ze Nelly Frijda was.

Alies heeft het me verteld, maar ik weet het niet meer, ik ben het vergeten. Maar dankzij Jack Spijkerman weet ik wel wat Gerard Cox zei toen de benzinepomphouder bij wie hij net getankt had, tegen hem zei: U komt me bekend voor.

Waarop de man antwoordde: Op de Jozef Israëlskade deed het zonlicht pijn aan je ogen, maar vanuit de schaduw op de Amstelkade zag het er zomers uit. Ik was lekker langzaam aan het fietsen, tevreden met alles en ­iedereen. Met de mannen die aan hun bootjes klusten, met de twee vrouwen die voor een open deur met elkaar stonden te praten, de ene met in haar armen een enorme hortensia die rood in bloei stond, met het vooruitzicht van het uitzicht over de plas water dat zich zo dadelijk aan mij ging openbaren.

Aan de tafel aan het water zaten twee mannen koffie te drinken. We groetten elkaar als waren we dorpelingen. Om de hoek, waar het Muzenplein overgaat in de Churchillaanlaan, staat een zes meter hoog marmeren beeld, Verschuivingen van Ben Guntenaar.

Op dat beeld staat, zoals wij van Het Parool allemaal weten, sinds een paar maanden King Kong met een speelvliegtuig te zwaaien.

Tot voor kort kreeg ik hier altijd heimwee naar de zonnewijzer, maar van King Kong is Verschuivingen enorm opgeknapt, stelde ik vast. Kong staat precies goed, alsof hij er altijd al geweest is. En op dat moment zag ik een theelepeltje liggen.

Een theelepeltje, dacht ik. Mijn eerste impuls was afstappen om het theelepeltje op te rapen en in mijn zak te steken, want een theelepeltje, zeg nou zelf, komt altijd van pas en van theelepeltjes kan je er nooit genoeg hebben.

Maar gelukkig wist ik me te ­beheersen, want ik weet hoe het gaat, het begint met een theelepeltje, maar binnen de kortste keren sleep je aan een touwtje een magneet achter je aan en heb je een karretje achter je fiets hangen om de gevonden voorwerpen op te slaan. In oktober gingen wij voor een korte vakantie naar Malmédy. Aan de vooravond van ons vertrek begaf ik mij naar het Rokin om bij Allert de Lange een boek te kopen. In Malmédy sloeg ik het boek open en ik las: En ik maakte mijn begin met Pride and Prejudice, waarin Elizabeth Bennet de hoofden voor altijd op hol brengt.

Wat een heldin, wat een boek, wat een schrijver. Op 16 december werd gevierd dat het tweehonderd jaar geleden was dat Jane Austen was geboren. Ik dacht aan de schrijfster als baby en vanaf dat moment heb ik haar altijd in de buurt ­gehouden, als kind, als meisje, als jonge vrouw, als schrijver.

Eenenveertig jaar lang, van haar geboorte tot haar sterven op 18 juli , vandaag tweehonderd jaar geleden. Wie nu naar de Portrait Gallery in Londen gaat om het door haar zuster Cassandra getekende portret te bekijken, betreedt een donkere kamer, waar hij heel even een lichtje mag laten schijnen. Ik kende al iemand die een Nana van Niki de Saint Phalle stuk had laten vallen en nu blijk ik ook nog iemand te kennen die een Keith Haring heeft kwijtgemaakt.

In de tram laten staan. Zelf heb ik eens een vijftienliter bonbonnetje wijn uit de Roussillon in de 13 laten staan. We hadden het meegebracht voor Dikke Willem, een schimmige belastingadviseur die zijn diensten graag in producten kreeg uitbetaald. Dat zou niet lukken deze keer, want dat bonbonnetje was weg en kwam niet terug natuurlijk. Na dat ene glaasje volgden er meer en het einde van het liedje was dat toen Dikke Willem aankondigde dat hij zijn bonbonnetje kwam halen, het bonbonnetje in kwestie leeg was.

Goede raad was duur en dus begaven we ons naar de Hema waar we twintig flessen goedkope wijn kochten die we vervolgens, o schande, in het bonbonnetje overgoten. Maar die Keith Haring was weg en bleef weg. Dit in tegenstelling tot die andere Keith Haring die weg is, want die is wel weg, maar hij is er wel. Het is een giraffe en Haring schilderde hem op een doosvormig gebouw dat op het terrein van de Markthallen staat. Ik ging vaak naar de Willem de Zwijgerlaan om ernaar te kijken, en ineens was hij weg.

Verdwenen onder een betimmering. Als het stil is op de Willem de Zwijgerlaan kun je de giraffe horen zuchten. De ­Engelsen zouden het Centraal Station in elkaar gooien.

De spoorwegarbeiders zouden staken. De invasie zou net op het laatste moment plaats hebben. Zij had niet plaats. De communisten zouden iedereen ontvoeren, die toch opkwam. We zijn wel geregistreerd en zijn toen doorgegaan met bestemming Auschwitz. Ons transport was zeer groot. Na de oorlog werden acht overlevenden geregistreerd.

Je zou denken dat de hele stad in rep en roer was door de gebeurtenissen, maar niets is minder waar. Het leven ging zijn gang alsof er niets aan de hand was. Ik begreep niet wat ze bedoelden, en toen bleek, dat er een begin was gemaakt met het deporteren van Hollandse en Duitse Joden tussen 16 en 40 jaar. Wie iets wil begrijpen van de gang van zaken rond oproep, deportatie, onderduik en de emoties die dit met zich meebracht, leze haar dagboek.

Ik ken iemand die al meer dan dertig jaar ieder oneven jaar een paar weken naar ­Venetië gaat. De laatste keer dat zijn vliegtuig vlak voor de landing over de stad vloog, keek de man de naast hem zat enige tijd naar beneden en formuleerde het toen zo: Ik herinner me dat ik op de voorplecht stond en de hoofdstad van het eiland snel dichterbij zag komen.

Het leek of het stadje steeds kleiner werd. Een wandeling hier, een baaitje daar, een opgraving, aardbeien en kersen van de kar, het ­archeologisch museum, een pleintje met een restaurant waar ze de heerlijkste aubergie kroketjes verkochten, het kon niet op. Waar we allemaal niet geweest ­waren toen we weggingen.

Hoe beter je een stad kent, hoe groter hij wordt en hoe meer er te doen en te zien is. Voor ons ­Amsterdammers is Amsterdam de grootste stad van de wereld, de stad waar we nooit uitgekeken zullen raken. De Nieuwegang wel eens in gelopen? Biertje gedronken in de Wacht-­kamer 3e klasse in het Centraal Station? Wel was ik nog niet zo lang geleden voor het eerst van mijn leven in de Sint Nicolaaskerk.

Vlak naast de basiliek bleek zich café Batavia te bevinden. Welke kant ik op moest was duidelijk en dus reed ik de Keizersgracht op en de Nieuwe Spiegelstraat uit tot de Spiegelgracht.

Daar begon ik er zin aan te krijgen, want de Spiegelgracht heeft een heerlijke stille kant met een leuke speelgoedwinkel die bovendien uitkomt op een van mijn favoriete grachtjes, de Zieseniskade. Er is een liedje over bomen die dromen hoog boven verkeer en bootjes die over het water gaan, net als weleer, volgens mij is dat hier.

Overal om je heen heerst ­hedendaagse chaos, maar op de Zieseniskade is geen mens te bekennen. Het is of we niet weten dat de kade bestaat. Vlak voor de City blijk ik ineens op een voetgangerspad te rijden, maar bij de kruising met de Leidsestraat ben ik weer waar ik hoor te zijn. Koekjesbrug over, stukje Nassaukade en dan de Jacob van Lennepkade op. Drummend kunstenaar Han Bennink het is omgekeerd, maar dat gaat niet vertelde me eens dat zijn broer en hij de ­zomers van hun jeugd altijd doorbrachten in de badplaats waar wij zo graag komen, omdat alles er is als vanouds alsmede mooi van ­lelijkheid.

Toen hun moeder was overleden besloten de broers haar as vanaf een van de strekdammen in zee te verstrooien. Nou, je weet hoe ik met mijn schoenen ben. Ik poets ze vaker dan mijn tanden. Waarop de uitbaatster van het paviljoen aan ons tafeltje verscheen om te vertellen hoe blij ze was dat we er weer waren. Ze bleef nog even dralen.

Om haar verhaal te vertellen, bleek. Over een middelbaar echtpaar dat haar had verteld dat ze waren gekomen om de as van zijn moeder in zee te verstrooien. Ik keek wat er in zat en ja hoor, moeder. Maar het verhaal is nog niet af, want twintig minuten later kwam iemand een kruisje brengen dat hij op het strand gevonden had. Een kruisje met twee jaartallen er op, verder niks. Ik heb het in de keuken gehangen. Helemaal aan het begin van de Schilderskade, daar waar de Amstel de stad in stroomt, staan op de brug twee huisjes.

Ze zien eruit als de Turkse badhuisjes die je bij Turkse dorpen wel aantreft. Op het huisje aan de kant van de Jozef Israëlskade stond dat er hoogspanning in zat, op het andere huisje stond niets.

Ik had mijn weg al vervolgd toen ik nieuwsgierig werd. Ik trof een man die voor zijn huis op een bankje naar het water zat te kijken. Of hij wist wat voor het huisjes het waren, wilde ik weten. Dat wist hij niet, maar hij wist wel dat in het huisje aan de Amstel-­kadekant een theatertje zat waar een buurtbewoner af en toe voorstellingen voor kinderen organiseerde en met Kerstmis een kerstverhaal voorlas. Op dat moment zag ik dat er in de deuropening van het huis twee kleine kinderen achter een tafeltje zaten met wat spulletjes erop.

Bleek dat Aike 6 en Anne 4 die middag een tattooshop hadden geopend, waar je tegen betaling een stempel op je arm kon laten zetten. En kleren pakt hij wel aan, maar ze aantrekken doet hij niet. In het café waar ik kom sinds ik weer in een café kom, was ik al een tijd niet geweest. Dat kwam doordat Rina zich niet meer achter de bar liet zien. Waarmee meteen de vraag rijst of je een café bezoekt voor het café of voor de barjuffrouw.

Staat er een man achter de bar, dan is de zaak wat mij betreft duidelijk. In café de Ster kwam ik voor het café, net als in de Schouw en de Broadway Bar. Maar als het om de Cotton Club gaat, wordt het al ingewikkelder. Geweldig café, de Cotton Club, maar juffrouw Annie was ook niet mis. En ik denk niet dat ik zeven jaar in Emmelot was blijven hangen als Jossie en Marie er niet de scepter hadden gezwaaid.

Rina bleek weg geweest om van een kleinkind te bevallen. Maar nu was ze er weer en om het te vieren bood ik haar een colaatje pils aan. Twee pilsjes later raakte ik aan de praat met een Amsterdammer die vertelde dat hij vorig jaar in Kusadasi was geweest. Het was er 45 graden in de schaduw, zodat we meteen de eerste dag al van top tot teen verbrand waren, als kreeften ­waren we, en het enige wat we toen nog konden doen, was op die kamer blijven, waar het ijskoud was, van de airco, zodat je de hele dag onder een dun dekentje op bed lag, terwijl er een enorme zandstorm stond, van dat dunne gemene zand dat in je eten gaat zitten, dat trouwens niet te eten was, ­Kusadasi, praat me er niet van.

Nee, dit jaar ga ik lekker vissen. Op de hoek van de ­Amstelveenseweg en de Laan der Hesperiden die vroeger Stadionplein heette als ik me niet vergis, zat een groot café waar het op de zondag heel druk was.

Het zal café Het Stadion of iets dergelijks hebben geheten. Nu zit er Mr. Sam met een leeuw voor de deur. Het was een zomerse dag en een eindje verderop zat in de vensterbank die ze tot bank had omgetoverd een jonge vrouw half liggend een bord soep te lepelen. Ik keek naar het Olympisch Stadion en bedacht dat er inmiddels alweer een hele generatie is opgegroeid die denkt dat het stadion er altijd zo heeft uitgezien.

Een deel van de generatie stond op een veldje naast het stadion ­fanatiek een onduidelijke sport te beoefenen. Op de Jan Wilsbrug keken twee vrouwen vertederd naar een meerkoetennest vol jonge meerkoeten en vanaf de eilanden in de Schinkel woeien de zwemgeluiden me reeds tegemoet.

Tot voor kort loste je op als in zoutzuur als je in de Schinkel viel, maar nu is het weer zwemwater en op mooie dagen worden de eilandjes uitbundig bezet door kinderen tot een jaar of zestien die lachen, flirten, duwen, duiken, zonnen, zwemmen.

Vorig jaar zag ik zes meisjes uit groep zeven hand in hand van de steiger springen. Nu zijn ze, nog even, van groep acht. Ik liep over de kermis die net bezig was open te gaan. Langzaam schoven de rolluiken van de ­attracties omhoog en tevoorschijn kwam de kraam die er precies zo uitzag als toen hij gisteren dichtging.

De slager of de visboer moet zijn uitstalling elke morgen in de vitrines leggen, maar de kermisklant laat de pluchen beren en tijgers en grote roze honden ­gewoon hangen of op de toonbank staan en gaat de volgende middag verder waar hij gisteravond was gebleven. Hoewel er nog geen muziek was, zaten de twee verveelde meisjes van de popcorn al op hun eerste klant te wachten. De griezelige slingermachine die naar de naam Booster luistert, draaide driftig oefenrondjes.

Alles ziet er anders uit op de kermis van tegenwoordig, maar veel is toch hetzelfde gebleven. Een schiettent zag ik niet, maar er werden zuurstokken verkocht en nougat verkocht en er was een Oud Hollandse Oliebollenkraam. In het beginnersachtbaantje klonk het eerste gegil, en daar had je de muziek, kermismuziek!

De zweef is verdwenen, maar in de moderne variant zat een moeder met haar zoontje in een lichtblauwe olifant net zo opgetogen te kijken als wij dat deden met onze dochter in de draaimolen. Toen ze zes was zou ze met alle geweld naar het Spookhuis. Wij in de rij, kaartje gekocht, in het wagentje gestapt en het Spookhuis binnen gereden, waar ze van het eerste de beste skelet zo verschrikkelijk schrok, dat ze nog maar een ding wou, weg van hier, naar huis. Ze is als de Venus van Botticelli met dat verschil dat ze niet bloot op een schelp staat, maar op een bankje zit en schuine ogen heeft.

Ik probeer een boek te ­lezen, een boek over het jongensgevoel en het eten van sinaasappels. Ik vind het boek veel beter dan ik het tweeënvijftig jaar geleden vond, maar toch kan ik mijn gedachten er niet bij houden. Ze gaat gekleed in een soort vest dat bij elkaar wordt gehouden door een ceintuur en is een en al been. Als ze op haar telefoon kijkt, laat ze een besmuikte glimlach zien die soms overgaat in een brede glimlach, in een binnenpretje of een ingehouden lach. Regelmatig doet ze haar haar achter oor of schikt ze haar pony.

In haar linkeroorlel zit een zilveren oorbel waar ze af en toe aan draait, terwijl ze met haar tong iets tussen twee tanden vandaan probeert te krijgen. Ze is 23, besluit ik, en natuurlijk heeft ze allang gezien dat ik doe alsof ik lees, maar dat ik in werkelijkheid naar haar zit te kijken. Ze slaat haar benen over elkaar en bekijkt haar ogen in de spiegel van haar telefoon. Met de buitenkant van haar gebogen wijsvinger veegt ze langs haar neusvleugels en dan haalt ze een wenkbrauwpotlood tevoorschijn.

Als ze haar lippen in de lippengloss gezet heeft, bergt ze alle spullen op en schudt haar pony. Wat ik al vreesde, blijkt waar. Als een gemeenteklok eenmaal stilstaat, is het einde nabij. De klok op de hoek van de Beethovenstraat en de Stadionweg die zo lang op tien over acht heeft gestaan, is verdwenen.

De paal waar hij op stond, staat er nog, een beetje verdwaasd, als een grutto in het vroeg gemaaide gras. Op de hoek waar de paal staat, kon je op zoele zomeravonden van lang geleden vaak een kleine maar opgewonden samenscholing treffen.

Het middelpunt van de ­samenscholing was een schone op een scooter, die zich alle belangstelling graag liet aanleunen, de schone meen ik. Haar leuke zusje heette Vivian. Vivian kende ik van de tennisbaan. Vivian kon niet tennissen, maar onder haar tennisrokje droeg ze petticoats in zeven kleuren.

Om de een of andere reden maakt dat vergevingsgezind. Vivian en haar zusje woonden in een enorm appartement, dat uitkeek op de gemeenteklok. Ik heb daar voor eerst een voetbalwedstrijd op tv gezien. Nederland-Duitsland, of omgekeerd, dat weet ik niet meer. Op een keer stond ik voor de reusachtige boekenkast met een scheef hoofd de titels te lezen toen haar vader in het voorbijgaan liet weten dat ik uit de kast mocht­ ­lenen wat ik wou, als ik de boeken maar weer terugbracht.

De vader was impresario en ­beroemd ­geworden door bij het Centraal Station op een treinstel een opgezette walvis tentoon te stellen. Je kon erin, in de walvis. Door zijn wijd opengesperde ­kaken betrad je zijn binnenste, waar het stonk en niets te zien was.

Maar je was wel in een walvis ­geweest, en wie kon je dat nazeggen, behalve ­Jonas dan. Ik denk dat er geen straat in Amsterdam is die zo vaak van naam verandert als de Ceintuurbaan: We zaten bij Par Hasard onder de bomen en keken de Ceintuurbaan af, die hier inderdaad Ceintuurbaan heet.

Er fietste een man voorbij met een bas op zijn rug en in de bocht naar de Ferdinand Bolstraat passeerde de 24 de Terwijl een meisje onze friet kwam brengen, met een biertje en een glaasje wijn erbij, kwamen er uit het studentenhuis dat boven het café ­gevestigd is een heleboel jeugdige personen tevoorschijn die zichzelf een leuke avond beloofd hadden.

Ze hadden er zin in, dat zag je aan alles. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 een 24, een man op een fiets reed banjospelend voorbij, terwijl de zwangere vrouw tussen tafel en bank vandaan probeerde te komen. Hij rekende af en hand in hand liepen ze richting Sarphatipark. Toen het visje soldaat gemaakt was, gingen wij ook. In de bocht van de Ferdinand Bol passeerde een 24 de Langs het Jollenpad reed ik naar de plek waar ik een rij huisjes wist te staan, direct aan het water, met voor de deur een tuin en een lange steiger.

Wij gingen daar regelmatig op bezoek. Tante Ans zat aan een laag tafeltje en sprak als Sint Franciscus met de mussen die in kleine groepjes samendromden aan haar voeten. Af en toe waagde een mus zich op het tafeltje en de brutaalste onder hen zaten haar in het haar of pikten een broodkruimel tussen haar lippen vandaan.

Tante Ans had twee dochters van wie ik de namen was vergeten.